MEEST INTERNATIONALE MUSEUM IN NEDERLAND

Sinds 2004 is Sjarel Ex (Terwinselen, 1957) directeur van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Een van zijn eerste wapenfeiten: een aangrenzend depot, dat hij na drie weken na zijn aanstelling al op de rails zette. Het gebouw is nu in aanbouw en wordt een eyecatcher van jewelste. Ondertussen ondergaat het museum sinds vorig jaar een ingrijpende renovatie, die zeven jaar in beslag zal nemen. Het leven van een museumdirecteur tussen bouwput en sloophamer.

Tekst: Bart-Jan Brouwer | Online redactie: Natasha Hendriks
Beeld: John van Helvert

Op 26 mei 2019 sloot Museum Boijmans Van Beuningen voor een periode van zeven jaar de deuren voor een grondige asbestsanering en daaropvolgende renovatie. Hoe voelde dat voor jou?

“Heel onwerkelijk. Naarmate de tijd op die dag verstreek, werd het steeds gekker. Een stoet van hardcore fans van het museum liep met een camera door het gebouw en fotografeerde de meest onooglijke onderdelen: lichtknopjes, roosters, wc-potten, deurknoppen… ‘Ja meneer, we weten niet of u dat laat zitten en we houden zo van dit museum. Want…’ – en dan kwam er een verhaal, van mensen die hier al met hun opa of vader waren geweest. Veel ouderen kwamen letterlijk afscheid nemen. ‘Meneer, het is mijn laatste keer. Ik kom hier zo graag, maar ik zal de opening van het nieuwe museum waarschijnlijk niet halen.’ Dat was heel ontroerend. Anderen liepen gehaast rond, ik móét dat nog zien. Als we iemand zagen die duidelijk nog niet klaar was, namen we die na sluitingstijd nog even mee en lieten we die stiekem, een-op-een, kunstwerken zien. Iedereen had zoiets van ‘pak het niet weg, pak het niet weg!’ Dat had ik zelf ook. Het voelde als een totale lockdown. De dag erna zijn we uit ons kantoor getrokken, weggegaan uit het museum. Op dat moment voelde ik pas wat het was om niet even naar Titus aan de lezenaar van Rembrandt te kunnen lopen, om niet even om de hoek een schilderij te kunnen zien van Jim Shaw of Chris Martin. De luxe om zo dicht bij een instrument als een museum te werken, met zijn mooie klank en kleur, werd op dat moment pas duidelijk. Onze secundaire arbeidsvoorwaarde vormde eigenlijk de primaire voorwaarde om het goed te doen. Nu is alle kunst opgeslagen in zeven depots in Nederland en Vlaanderen.”

Hoe is de architect uitgekozen en welke opdracht kreeg die mee?

“De gemeente trad op als organisator voor een internationale inschrijving. Uiteindelijk tekenden 24 teams in, elk bestaande uit twee of drie architecten en een hele staart aan adviseurs. Op basis van de documentatie werd dat aantal teruggebracht naar drie: KAAN Architecten, David Chipperfield Architects en Mecanoo. In vier maanden tijd zijn we met elk bureau drie keer een dag de dialoog aangegaan, waarbij we heel diep ingingen op de vraag: hoe kan het museum, met het behoud van de kwaliteit van vroegere architecten als Adriaan van der Steur, Alexander Bodon en Hubert-Jan Henket, vijftig jaar vooruit in de omgeving waar het zich bevindt, in het park waar het ligt, in de stad waar het voor is, in het land dat er trots op is. Daar kreeg iedere architect een onmogelijke uitdaging bij, namelijk of er drieduizend vierkante meter bij kon. Terwijl het park monumentaal is, de zoom ervan in particulier eigendom en alle zichtlijnen hier beschermd stadsgezicht zijn. Je moest een Houdini zijn om dat te kunnen oplossen. Uiteindelijk koos de jury, na enorme deliberaties, unaniem voor Mecanoo. Architecten van het Delftse architectenbureau hadden een week in het park gelegen – veldwerk. Met de kennis hoe het publiek het park gebruikte, hebben zij hun plan ontwikkeld. Dus geen form follows function of function follows form, maar architecture follows audience. Zij hebben een gebouw gemaakt dat de beweging van het publiek faciliteert. Hun plan opent op allerlei manieren het museum en reikt tegelijkertijd de tuin in zonder de rode lijnen te overtreden. Nu bestaat het park nog uit kleine particuliere en publieke gebiedjes. Wij willen dat het in de beleving één geheel wordt, dat het hele park dadelijk mee-ademt. De kwaliteit van het Kröller-Müller, meebewegen met de natuur, alleen dan in de stedelijke natuur. Met de toevoeging van een glazen gang die tussen de gebouwen van Van der Steur en Bodon meandert, als katalysator en verbinder, wordt het museum getransformeerd tot een complex met een goede logistiek voor zowel de bezoekers als de back of house. Vanuit deze ‘Mecanoo-passage’ zijn alle museumzalen makkelijk te bereiken. We slaan onze armen uit, vlijen ons als een kat op de mooiste plek, zonder die te verstoren. De kronkelende corridor komt uit in een nieuw te bouwen paviljoen, een vleugel voor hedendaagse kunst. Dat is een reikhalzen naar de toekomst. Want we hebben dan het prachtige Van der Steur-gebouw uit 1935, een fantastisch wederopbouwgebouw uit 1972, de Bodon-vleugel, en de nieuwe vleugel voor de 21e eeuw.”

Jullie hadden een lockdown binnen een lockdown. Denk jij dat deze tijd nieuwe impulsen voor de kunst voortbrengt? Gaan wij, zoals ‘Triomf van de Dood’ van Francesco Traini, dat geïnspireerd op de pest in Florence, kunst krijgen over corona?

“Absoluut. Dat heeft de vorig jaar overleden briljante conservator Okwui Enwezor bewezen met een tentoonstelling in het Haus der Kunst in München, waar hij lang directeur is geweest. Voor die tentoonstelling had hij in de tijd een aantal objectieve data geprikt: de moord op Kennedy, de atoombom op Hiroshima, de Intifada, 9/11… Met een team is hij in alle landen van de wereld gaan kijken of op die momenten in de kunst iets veranderde. Kunst is permeabel voor de tijd; kunst heeft altijd met de tijd te maken, maar gaat er niet altijd over. Want kunst is een eigen wereld, een eigen medium, een eigen taal. Enwezor toonde aan dat op het moment van de mokerslag de kunst onmiddellijk van kleur, materiaal, temperament en activiteit veranderde. Corona is ook zo’n mokerslag en heeft op een enorme manier invloed op de kunst. Misschien wel omdat we kunst weer beter gaan waarderen en intensiever gaan beleven én leven. De eerste keer na de lockdown dat ik weer kunstwerken zag, live, materieel uit onze collectie, was in het Cobra Museum in Amstelveen, waar afgelopen juni een heel mooie tentoonstelling van onze surreële collectie opende. Het was zo ontroerend, zo mooi! Ik hield het niet droog, terwijl het schilderijen waren die ik al honderd keer had gezien. Kunst is meer dan alleen maar een spiegel, kunst is meer dan alleen maar mooi gemaakt, kunst is meer dan alleen maar iets wat je hoopt. Kunst is iets wat enorm troostend is en tegelijkertijd heel opwindend. Dat heb je zelf nodig en dat moet je zelf zien, en dat zie je ook in tijden van corona. Deze tijd is een intensivering van wat de zintuigen echt nodig hebben voor een volwaardig mens-zijn.”

Wat is het budget voor de verbouwing van het museum?

“We hebben voor de verbouwing een plan gemaakt voor 223,5 miljoen euro. De gemeente Rotterdam, die het gebouw beheert, stelt 168,5 miljoen beschikbaar. Het overige deel moet van particuliere partijen komen. Dat bedrag is op dit moment nog niet zo heel erg groot – we zijn volop bezig. Zelf zijn we zo arm als een kerkrat: we hebben geen eigen vermogen, alleen immateriële activa.”

In hoeverre draagt de gemeente bij aan de jaarbegroting?

“Normaal krijgen wij jaarlijks 9 miljoen subsidie en geven wij ongeveer 21 miljoen uit. Die 12 miljoen verdienen wij. Als straks het museum en het depot open zijn, voorzien we dat de begroting van het museum stijgt naar ongeveer 30 miljoen per jaar.”

Het museum ontleent zijn naam aan twee belangrijke kunstverzamelaars: Frans Boijmans en Daniël George van Beuningen, die in respectievelijk 1849 en 1958 hun verzameling aan de stad Rotterdam nalieten. Hoe groot is de rol van particulieren voor de totstandkoming van een collectie?

“Bij ons is die gigantisch. Dat maakt het museum ook heel spannend. Als je gaat zoeken in de archieven, zie je dat we voor de helft te maken hebben met de overheid en voor de helft met gevend publiek. Dat varieert van hele verzamelingen tot een enkele Mondriaan of Israëls. Elke familie die in de Rotterdamse haven werkte, strekte het tot eer dat zij iets kon teruggeven aan de stad. Dat ging heel vaak met giften in de sfeer van kunst. Die families, ook generaties later nog als ze uitgewaaierd zijn, vormen een sterke kant van Rotterdam. Als je niet voldoende geeft, ‘heb je het nog niet aan je geefklier’, noemen ze dat hier.”

Heeft de continue uitbreiding van de collectie ermee te maken dat het publiek groeide van circa 185.000 bezoekers in 2006 tot zo’n 300.000 in de afgelopen jaren?

“Jazeker. We hebben meer uitgedaagd, mensen veel meer betrokken bij het museum, het levert meer plezier op om in het museum te zijn. Ik moet aan de andere kant wel zeggen – daar ben ik ook ruiterlijk over – dat de exponentiële groei die in een aantal andere musea heeft plaatsgevonden, niet in Boijmans heeft toegeslagen. In Assen en Utrecht bijvoorbeeld is het zo nu en dan drukker dan in ons museum. Nu is het Centraal Museum Utrecht een makkelijk voorbeeld, want met het binnenhalen van het Dick Bruna Huis heb ik daar zelf de basis voor gelegd (Ex was daar van 1988 tot 2004 museumdirecteur; red.). Maar hier zijn we op een gegeven moment bewust gestopt met 300.000 mensen. Dat vond ik een mooi aantal voor het Boijmans, want museumbezoek gaat ook over aandacht, rust, concentratie en contemplatie.”

Jullie hebben hier vast een heel goede museumwinkel…

“Hahaha, dat zeg ik niet. Wat je van een ander kunt corrigeren is iets anders dan wat je zelf aus einem Guss in één keer goed doet. Het is ook heel moeilijk om je eigen talent daarin precies te kennen, want één ding is heel belangrijk: musea zijn niet hiërarchisch, een museum is een team. Er was laatst een artikel in de Volkskrant over ‘de witte mannen in de grote kunstmusea in Nederland’. Daarvoor was ik ook benaderd. Ik heb er niet aan meegedaan, vooral vanwege één vraag die ik heel sturend vond: ‘Hoeveel kunstinhoudelijke mensen heeft het museum?’ En dan moest ik noteren hoeveel daarvan wit waren en hoeveel van kleur. Maar wij hebben geen verschil tussen kunstinhoudelijke mensen en mensen die in het museum werken. Als je in een museum werkt, ben je altijd kunstinhoudelijk. Elke schakel in het museum is van wezenlijk belang. Als ook maar één schakeltje niet goed functioneert, zie je dat meteen. Dan valt iets uit, wordt iemand boos, struikelt een kind. Alles gaat over die beleving die je zes uur per dag creëert. Het museum is een soort gesamtkunstwerk, waarin zowel de collectie als de mensen en het gebouw wezenlijk zijn. Die drie moeten ongeveer op hetzelfde level zijn. En wij zijn nu enorm aan het inhalen wat in de bouwkundige sfeer achterstallig is geraakt.”

Masters #44

MASTERS #44

X