LESSEN UIT DE OUDE WERELD

Als stammenfotograaf staat hij met één been in de ‘oude wereld’. Wat voor lessen neemt Jimmy Nelson (1967, Sevenoaks, Engeland) mee terug van zijn bezoeken aan inheemse culturen? “Het enige wat ertoe doet is wat je terug kunt geven aan de wereld. Dat is het ware gevoel van rijkdom, van geluk.”

Tekst: Bart-Jan Brouwer | Beeld: Jimmy Nelson
Online redactie: Larissa Schaule Jullens

Iedereen heeft het over de nieuwe wereld, terwijl jouw werkgebied de oude wereld is. Zijn er twee werelden?

“Er is geen oude en nieuwe wereld, geen verleden en toekomst. We leven in het nu op één planeet. De essentie van wat ik doe is die twee meer in balans krijgen. Hoe gaan we samen de toekomst tegemoet? Hoe kunnen we de rijkdom en kennis van de traditionele wereld combineren met de zich razendsnel ontwikkelende moderne wereld? Hoe krijg je een continent als Amerika met zijn extreme overconsumptie en overproductie, het ene uiterste, meer in lijn met Papoea-Nieuw-Guinea, het andere uiterste. Ik probeer de oer-wijsheid en diepe culturele fundamenten van Papoea-Nieuw-Guinea te verweven met de buitengewoon intellectuele en toegepaste kennis van de moderne wereld. Een kennis die alleen houdbaar kan zijn mits die verbonden blijft met de diepste wortels van de natuurlijke wereld. In Amerika is bijna alles compleet gebaseerd op het ego, daar staat de aarde in dienst van de mensheid. In Papoea-Nieuw-Guinea is helemaal geen ego, daar voel je de connectie met elkaar en de natuur – daar staat de mens in dienst van de aarde. Natuurlijk heeft de moderne wereld waanzinnige creaties voortgebracht, zoals de smartphone. Een geweldige technologie, maar alleen als die de mensheid dient. In Papoea-Nieuw-Guinea hebben ze geen smartphones, nog niet, maar daar weten ze wel wat de essentie van mens-zijn is. Het gaat om de balans tussen die twee.”

Vertaal dat eens naar jouw persoonlijke verhaal.

“Mijn vader reisde voor Shell de wereld over. Dan weer woonden we in Nigeria, dan weer in Sierra Leone. Het gevolg was dat ik als kind in contact kwam met allerlei culturen en verbonden was met de natuur. Toen ik zeven was, deden mijn ouders mij op een katholieke jongenskostschool in Engeland. Het voelde alsof ik met wortels en al uit de natuurlijke wereld was getrokken waarin ik ben opgegroeid. Sindsdien probeer ik die balans te herstellen. Mijn leven is in spagaat. Eén been in Amerika, één been in Papoea-Nieuw-Guinea. Slechts op enkele spaarzame momenten ben ik in balans: midden in de nacht in een vliegtuig, als ik van de ene naar de andere wereld reis. In die donkere tien minuten reflecteer ik op de wijsheid en rijkdom van de wereld die ik net heb ervaren en van die waar ik naartoe ga. Hoog in de lucht komen die twee werelden in mij samen. Het gaat niet om zij en wij, het gaat om het geheel. Met mijn fotografie reflecteer ik wat ik zie in anderen. Ervaar wat ik ervaar, voel wat ik voel en probeer in te zien hoe belangrijk die balans is. Wat ik doe is geen antropologie en geen etnologie; het is subjectieve, idealistische, romantische, iconografische kunst. Dat ene vastgelegde moment moet groots en subliem en meesterlijk worden weergegeven om de boodschap zo duidelijk mogelijk te laten resoneren.”

Je eerste boek, Before They Pass Away, riep de nodige discussies op. Jouw foto’s zouden fake zijn, geënsceneerd en gephotoshopt.

“De foto’s zijn wel echt, het is maar net hoe je naar de wereld kijkt. Mensen met een superioriteitsgevoel hebben een vijand nodig om hun ego in stand te houden, en de makkelijkste vijand is iemand die anders is. Dat is de oorsprong van racisme. Nu zien ze op mijn foto’s dat die ‘andere mens’ trots, gelukkig en gezond is zonder dat die de materiële luxe heeft waar zij zo hard voor hebben moeten werken. Dat doet pijn, dat kunnen ze moeilijk accepteren, en dus noemen ze de foto’s fake. Maar het is net zo de werkelijkheid als een model op de cover van Vogue. Ik wil de inheemse volkeren ook op hun mooist fotograferen, vol trots. Je moet het niet als journalistiek zien, maar als kunst.”

Had je die kritiek verwacht?

“Ik verwachtte helemaal niets. Niet eens dat het boek zo’n succes zou worden. Geen enkele uitgever wilde zijn vingers eraan branden. Bij toeval vond ik iemand die bereid was twee exemplaren te maken en vandaar nam het een vlucht. De reden dat het zo succesvol werd, is omdat het een spiegel is, omdat het confronterend is. Maar dat kon ik niet voorzien. Ik heb het boek niet gemaakt vanuit een wetenschappelijke of antropologische achtergrond, maar vanuit een emotionele achtergrond. Ik ging ervan uit dat iedereen de wereld ziet en ervaart zoals ik dat doe. Dat zo veel mensen er op een andere manier naar kijken, had ik niet verwacht. Anders hadden jij en ik hier ook niet tegenover elkaar gezeten, want dat zorgde voor veel tamtam.”

Zijn de foto’s ook een spiegel voor de stammen die jij fotografeerde?

“Als ik de stammen opnieuw opzoek, en dat doe ik vaak, dan geef ik ze het boek cadeau. In 99 procent van de gevallen zijn ze helemaal niet geïnteresseerd in de foto’s. Ze vinden het leuk dat ik er weer ben, herinneren zich mij, overal hoor je ‘Jimmy! Jimmy!’ Maar het boek… het boeit ze niet. Via tolken die ik altijd meeneem begrijp ik dat ze zichzelf niet zo zien zoals ze op de foto staan afgebeeld. ‘Het gaat niet om het plaatje, het gaat om wie je bent, wat je voelt.’ Wij leven in een wereld van beelden en selfies, beoordelen onszelf naar hoe we er uitzien, tweedimensionaal. We hebben geen connectie met hoe we ons voelen. Slechts weinigen voelen zich mooi, maar met wat Photoshop en een filter kunnen we er wel mooi uitzien. In de uithoeken van de wereld zijn geen camera’s en spiegels, daar draait het om gevoelens. Bij hen gaat hem om innerlijke schoonheid, bij ons vaak om uiterlijke schoonheid.”

Als je een stam opzoekt, begrijpen ze überhaupt wat je daar komt doen?

“Ze hebben geen idee wat een camera is. En vaak hebben ze ook geen idee wat ik kom doen. In het begin haal ik nooit mijn camera tevoorschijn, ik toon alleen mezelf in al mijn kwetsbaarheid. Mijn verblijf draait voor 99 procent om de communicatie over wie ik ben als mens. Een paar weken doe ik niet anders dan op de grond zitten en me kwetsbaar opstellen. De stamleden dansen om me heen en gedragen zich soms intimiderend – duwen, schoppen, spuwen. Ik doe niets en onderwerp mezelf aan hen. Uiteindelijk zijn ze gewend aan mijn aanwezigheid, raken verveeld en lopen weg. Er is er altijd eentje die blijft staan, uit nieuwsgierigheid. Met hem probeer ik contact te maken. Ik fluister woordjes, laat hem voelen hoe mooi hij is, zorg dat hij zich gerespecteerd voelt. Pas dan pak ik mijn camera erbij, een oud analoog exemplaar met 4×5 inch vlakfilm. Door de tijd die het kost om de camera op te bouwen en de stilte die deze ouderwetse manier van fotograferen creëert, blijf je communiceren – de connectie blijft in stand. Die camera interesseert hem niet, hij heeft er immers geen enkele associatie mee. Wat hem wel interesseert is dat hij het middelpunt van mijn aandacht is. Ik blijf zeggen hoe mooi hij is, laat hem rechtop staan. Je ziet hem groeien. Ik neem hem mee naar een centraal punt in het dorp en neem een stuk of vijftien reflectieschermen mee. De andere dorpelingen worden nieuwsgierig, gaan om ons heen staan. Ik betrek ze erbij, laat ze de schermen vasthouden en creëer zo een menselijke studio. Ze vergeten wie ik ben en sturen het zonlicht in de juiste richting, naar hun dorpsgenoot, die fier in de schijnwerpers staat. Ondertussen ren ik zenuwachtig heen en weer om alles in orde te maken voor die ene foto… De hele tijd blijf ik nederig, maak ik me zo klein mogelijk, de blik omhooggericht. Ik bouw het op, crescendo, tot alles gereed is. Mijn model staat bewegingloos, ik druk op de knop. De sluitersnelheid is drie, vier seconden. Die kruipen voorbij. De stilte… Dan de climax: ik explodeer, we hebben de foto! Iedereen joelt en juicht mee, en om de beurt willen ze nu het middelpunt zijn. Ik kan weken doorgaan om portretten te schieten. Er is geen taal, het gaat allemaal om respect.”

En als je weggaat hebben ze nog steeds geen idee wat je daar bent komen doen.

“Ze weten alleen dat een vreemde snuiter drie weken in hun midden is geweest en hen heeft aanbeden. In Papoea-Nieuw-Guinea heb ik de Kaluli geportretteerd. Voordat ik daarnaartoe ging, vond ik online slechts één korrelige zwart-wit foto van dit volk. De regering regelde dat ik deze gemeenschap kon bezoeken. Hun nederzetting ligt echt heel erg afgelegen: we worden gedropt in de jungle en moeten een week lopen voordat we er aankomen. Wat je daar aantreft… amazing! Op weg ernaartoe komen we langs een waterval – de perfecte setting voor de foto. Als ze mij eenmaal geaccepteerd hebben, maak ik een zevental duidelijk dat ze mij moeten volgen, diep de jungle in. Wanneer we bij de waterval aankomen, vraag ik of ze in het water willen gaan staan. Dat vertikken ze. Twee dagen lang zoek ik grote takken en boomstammen die ik naar de waterval sleep, om daarmee een set in het water te creëren waarop ze kunnen staan. Om drie uur ’s middags is het bouwsel gereed. Het licht is te hard – de waterval is wit, de jungle donker, dus het contrast te groot. Ik benut de tijd om de zeven stamleden op hun plek te zetten. Dat gaat heel gedetailleerd, van de zichtbaarheid van een kleine teen tot de perfecte balans en compositie. Om zes uur, als het licht zacht is, neem ik de foto. Vier seconden in een doodstille pose, in de waterval midden in de jungle. Na dat moment, dat veel langer lijkt te duren, voel ik me extatisch. Hier leef je zo lang naartoe, vanaf dat groezelige fotootje op internet, een tijdverslindende productie en de lange reis naar de andere kant van de wereld, kom je dan eindelijk tot het resultaat dat je al die tijd voor ogen hebt.”

MASTERS #43

Bestel alvast via onderstaande knop MASTERS met inhoudelijke reportages, geweldige fotografie en unieke merken, trends en plaatsen in de wereld.

MASTERS #43



Subscribe to MASTERS NEWS Newsletter for the latest updates.
(Your details will never be shared with a 3rd party.)

 
INSCHRIJVEN

close-link