JAN DES BOUVRIE: ZIJN PASSIE VOOR KUNST

In de winkel van zijn ouders hing Jan des Bouvrie vroeger kunst tussen de meubels. Van Wim T. Schippers, Paul de Lussanet, Jan Cremer… Wat niet verkocht, hing hij thuis op. En vormde het begin van een jaloersmakende verzameling. Jan over zijn passie voor kunst.

Afkomstig uit LXRY Magazine (2015)

Tekst: Bart-Jan Brouwer
Portretfotografie: Rahi Rezvani | Online Redactie: Larissa Schaule Jullens

Waar ontstond je passie voor kunst?
“Als kleine jongen keek ik geboeid naar een poster van Picasso’s Guernica die boven mijn bed hing. Niet zo zeer om het plaatje, maar om de inhoud: in één lijn zat het hele verhaal van de Spaanse Burgeroorlog. Later zat ik samen met Wim T. Schippers en Ger van Elk op de Kunstnijverheidsschool. Ik ruilde toen meubels voor kunst met hen, bijvoorbeeld een bank voor een schilderij. Dat was het begin, onbewust, van mijn kunstverzameling. Van zowel Schippers als Van Elk heb ik nu nog een werk in mijn collectie. Toen ik na mijn studie bij mijn ouders in de zaak ging werken, zag ik al snel dat mensen helemaal niet met kunst bezig waren voor hun interieur. Ze richtten hun huis modern in, maar hingen dan een zwak postertje van Het Laatste Avondmaal of van Pieter Bruegel aan de muur, nooit moderne kunst. Ze waren er niet mee bezig. En de mensen die er wel mee bezig waren, gingen naar galeries. Maar die galeries haddden alleen kunst, en niet het gevoel van het interieur erbij. Wij waren de eerste in Nederland die in de winkel kunst tussen de meubels ophingen, onder anderen van Wim T. Schippers, Paul de Lussanet en Jan Cremer. Ik ontdekte dat avant-gardistische kunst moeilijk verkocht. Dan haalde ik die werken weer uit de zaak en gaf ze thuis een plekje. Ik ging ook op zicht met schilderijen. Dan had ik bij klanten een interieur gemaakt en kwam ik langs met kunst en gaf daar uitleg bij. Ik besteedde net zo veel aandacht aan de kunst als aan het meubilair. Op die manier verkocht ik enorm veel kunst. Want een galerie werkt niet zo, die gaat niet met kunst bij de mensen langs. Zo heb ik ook Joop en Janine van den Ende warm gemaakt voor kunst. En Herman Heinsbroek. Die heeft zijn eerste schilderijen bij mij gekocht, en heeft nu een van de allermooiste kunstcollecties van het land.”

Frits Becht, een van de grootste particuliere verzamelaars van Nederland, was jouw inspirator. Van hem leerde je kijken naar kunst.
“Ik had hem ingericht en bij hem thuis hing echt top. Hij kwam een keer bij mij in de zaak en zei: ‘Jan, dit kan niet wat je hier hebt hangen. Je moet eens kijken naar Jan Schoonhoven, naar Lucio Fontana, naar Andy Warhol.’ Hij kwam wel eens eten bij mij. Wanneer hij dan uitkeek op kunst die hem niet beviel, ging hij ergens anders zitten omdat hij niet tegen ‘zo’n slecht schilderij’ wilde aankijken. Ik heb een keer een grap met hem uitgehaald: hij had thuis een klok van Berlage op zijn schoorsteenmantel staan. Die heb ik omgedraaid om te kijken of hij dat zou zien. Hij kwam er nooit achter. Uiteindelijk heb ik hem gezegd: ‘Joh, je kijkt zelf niet goed meer!’ Becht – en ook een andere klant van mij, Nol Gregoor, toenmalig redactiechef van de VARAgids – had gevoel voor wat nieuw was in de kunst. Hij leerde me de namen van de avant-garde die toen begon. En ik pikte dat heel snel op. Bij galerie Serieuze Zaken heb ik originele zeefdrukken van de koninginnen van Warhol gekocht, voor een paar honderd gulden. Als je er op tijd bij was, was het betaalbaar. Ik heb er nog een paar. In dezelfde galerie stuitte ik later op Chinese schilderijtjes, waarvan er één ook bij mijn buurman Ferry Hoogendijk hing. Bijzonder werk. Ik ben er wel vijf keer geweest en ze gingen me steeds meer boeien. Het waren stukken van een paar duizend euro. De galerist zei: ‘Dat verkoopt niet, het is veel te ingewikkeld voor hier.’ Toen heb ik er vijf gekocht. Dat zijn nu de belangrijkste Chinese kunstenaars die over de hele wereld bij Christie’s en Sotheby’s in de veiling staan, onder wie Zhang Xiaogang. Het is de kunst om kunst te kopen die nog niet gebeurd is. En ik zie meteen dat het geen eendagsvlieg is, maar dat het zijn tijd overleeft en ook belangrijk is in zijn tijd. Kunst is de vertaling van de tijd, de momenten van toen vastgelegd. Op den duur worden het ook weer Rembrandts.”

Over Rembrandt gesproken: heb je wel iets met zulke Oude Meesters?
“Rembrandt is zo briljant met licht in een schilderij; niemand kan dat zo goed als hij. Maar als ik voor de Nachtwacht sta, denk ik: tja, die mensen moesten gewoon geportretteerd worden. De schilders van toen waren de fotografen van nu. Alleen de echte meesters kwamen bovendrijven. Eerlijk gezegd ben ik meer geïnteresseerd in de tekeningen van deze schilders, de studies, omdat je in hun tekenkunst de ware kunstenaar herkent. Zoals Rembrandt en Picasso met één simpele lijn iets konden neerzetten. Maar Aat Veldhoen en Paul de Lussenet kunnen net zo goed tekenen. In hun schetsen herken je hun handschrift. Aat heeft bijvoorbeeld heel wild geschilderd, maar in die basistekeningen zie je echt wat hij kan. Van De Lussenet krijg ik ieder jaar een getekend schoentje voor mijn verjaardag, want hij vindt mij een dansend type. Hoe dat getekend is, man!”

Noem eens een ‘Rembrandt in den dop’?
“Gérard Rancinan. Van hem heb ik Batman Family Boys, Batman Family Girls en Le Banquet Des Idoles, een soort laatste avondmaal met alle overleden iconen uit de twintigste eeuw, van Jimi Hendrix tot Che Guevara. Hij is een gepassioneerde gek en een perfectionist en loopt als een idioot door zijn studio: ‘Jan, je moet dit zien. Jan, je moet dat zien.’ Over hem zei Ferry Hoogendijk ooit: ‘Jan, dat wordt de nieuwe Rembrandt!’ Het zou best eens kunnen.”

Net als Rancinan heb je bijna alle kunstenaars uit jouw collectie ontmoet.
“Marlene Dumas, Christo… En ook Jim Dine. De eerste tekening die ik van hem zag, dat was voor mij… boem! Toen ik hoorde dat hij in een galerie in Amsterdam kwam, ben ik daar die avond naartoe gegaan. Hij stond er een beetje verlegen bij. Ik raakte met hem in gesprek en uiteindelijk zijn we met z’n tweeën uit eten gegaan. Ik vind het interessant om de filosofie achter de kunst te zien. En die kan je alleen maar horen van de kunstenaar zelf. Ook Warhol heb ik ontmoet, in Studio 54 in New York. Er werden boven in dat voormalige theater alleen maar drugs verkocht. Ik ging beneden in de hal op de bank zitten. Er kwam een mannetje naast me zitten. We raakten in gesprek. Na een kwartier zei hij: ‘By the way, I am Andy Warhol.’ Ik was echt geblokkeerd. Ik had al werk van hem, waaronder Campbell’s Soup Cans en Marilyn Diptych. Wat mij opviel: al die mensen die ik in de kunst ontmoette: zodra het over hun passie ging, was het gesprek uniek. Warhol was artdirector bij een reclamebureau. Op een avond was hij met een vriend aan het praten: hij wilde de volgende dag ontslag nemen, omdat hij niet gelukkig was. Hij wilde kunst gaan maken, maar wist niet wat. Toen zei die vriend: je moet alleen gaan maken wat je lekker vindt. Campell-soep, Marilyn Monroe… Zo is hij begonnen. Je ziet ook aan zijn stijl – foto’s met verf erover en zo – dat hij grafisch ontwerper was.”

In New York ben je ook in het atelier van Arman geweest. Je ging niet met lege handen naar huis…
“Op de trap van zijn atelier naar zijn woning erboven zag ik een kunstwerk dat hij had gemaakt van een cello, oud hout en sigarenkisten. Hommage to Pablo heet het. Ik wilde het per se hebben en vroeg of ik het kon kopen. Aanvankelijk wilde hij dat niet. Maar we raakten heel leuk in gesprek en aan het einde van de dag, toen we de trap weer afliepen, zei hij: ‘Je mag hem van me kopen.’ Hij begreep dat ik een oprechte verzamelaar ben en dat ik kunst niet als handel zie.”

Op welk kunstwerk uit je collectie ben je het meest trots?
“Een Schoonhoven. Die heb ik destijds van Nol Gregoor gekregen in ruil voor een bijzettafeltje. Toen was Schoonhoven nog niet zo bekend, nu is dat werk een vermogen waard. Maar Nol heeft waarschijnlijk net zo veel plezier gehad van dat bijzettafeltje. Vroeger werd er veel geruild, nu niet meer. En vroeger kocht ik werken impulsief. Nu slaap ik er een nachtje over. Als ik in bed lig en zie een kunstwerk steeds terugkomen, dan weet ik dat het goed is.”

Als je jullie villa binnenkomt, zie je meteen een reuzentheepot van Studio Job bekleed met duizenden witgouden mozaïeksteentjes met aan weerszijden The Paradise Portraits van Erwin Olaf. Hoe ontstaat zo’n inrichting?
“We waren in Parijs in een galerie waar die portretten van Erwin Olaf hingen. Monique werd helemaal hysterisch, ze vond ze zo mooi. Wij met die galeriehouder praten: serie uitverkocht. Ik Erwin bellen – die ken ik natuurlijk: ‘Heb je geen artist’s proof?’ Die had hij wel, maar wilde hij niet verkopen. Een tijd later sta ik bij de RAI, zie ik Erwin op z’n fiets. Ik pak hem beet en zeg: ‘Erwin, het is niet alleen om mij, maar Monique wil absoluut die portretten van je kopen.’ En toen zei hij ja. Ook weer dat gevoel van: dan komt het werk goed terecht. En dan ben ik meestal wel degene die ziet waar het in huis het best tot zijn recht komt, met een hoog raam in het midden. Hetzelfde met die theepot van Studio Job. Die zagen we in Milaan, op een tentoonstelling van glasmozaïekfabrikant Bisazza, die kunstenaars altijd opdracht gaf om met hun steentjes kunst te maken. Wij komen daar binnen en zien die theepot: ook al waren we in de Deux Chevaux, die moest mee! Het is de schoonheid van kunst dat je die momenten hebt, dat je echt zegt: dat is art. Ik heb met Job Smeets zitten praten en vroeg hoe hij op dat idee van die theepot was gekomen. Hij zei dat hij als klein jongetje altijd met de potten en pannen van zijn moeder speelde; daar maakte hij stapels van. Dat zie je terug in zijn kunst.”

Je huis lijkt wel een galerie.
“Ik heb voor mijzelf de Gouden Eeuw opgebouwd. Door met kunst bezig te zijn. Ik denk dat mensen zich helemaal niet realiseren wat het is om kunst, al is het maar één ding, in je kamer te hebben. Kunst waar je van houdt, waar je iedere dag naar kan kijken. In het Singer Museum had ik in 2012 een overzichtstentoonstelling: daar hingen honderd van mijn kunstwerken boven mijn meubels. Terwijl ik vroeger nog werd verguisd door de galeriehouders: ‘Jan des Bouvrie, dat is alleen maar kunst boven de bank.’ Toen ik die selectie voor Singer maakte, realiseerde ik dat ik eigenlijk veel te veel kunst had. Ik besloot alleen de kern te bewaren, één werk per kunstenaar, en de rest te verkopen. Ik heb twee veilingen gehouden. Van een deel van de opbrengst heb ik nieuw werk gekocht en de twee belangrijkste werken die ik eerder had verkocht, weer teruggekocht: een blauwe buste van Yves Klein en de schaapjes van Laineau. Dat betekent dat mijn kunstcollectie nu zo is dat ik niet morgen een schilderij wil kopen. Niets is af in het leven, maar ik beperk mezelf wel om maar weer allemaal nieuwe dingen te kopen.”

Wat zegt jouw kunst over jou?
“Helemaal niets. Ja, weet je wat het over mij zegt? Mijn levensstijl. Vroeger bij het knikkeren wilde je die ene grote knikker hebben. En dat is waar ik mijn hele leven mee bezig ben. Ik wil alleen het goeie schilderij en het goeie autootje. Ik ga voor de grote knikker. Dat is het kind in mij. Ik zei gisteren tegen Monique: ‘Ik begin nu eindelijk volwassen te worden.’ Waarop zij zei: ‘Ik hoop het niet. Ik hoop dat het kind in jou blijft.'”



Subscribe to MASTERS NEWS Newsletter for the latest updates.
(Your details will never be shared with a 3rd party.)

 
INSCHRIJVEN

close-link