Taste
Lieuwe van Gogh: “Knallen, knallen en de rest boeit niet”
Hij is geen kunstenaar van nuance of nette binnenlijnen. Zijn werk is explosief, zijn verhalen even ongeremd als zijn verfstreken. Lieuwe van Gogh (Amsterdam, 1991) over rouw, roekeloosheid, de ontembare drang om te maken… en de gelijkenis met zijn Brabantse oud-oud-oudoom. “Ik ben weliswaar geen ginger, maar we hebben dezelfde hoge kaaklijn.”
De schaduw van 2 november
Is de naam Van Gogh voor jou eerder een geschenk, een last of een opdracht?
“In Nederland leef ik in twee schaduwen, in de rest van de wereld maar in één. Het was eerst een last, want mensen plaatsen je al snel in een hokje. In het begin werd ik online nog weleens afgekraakt. Dat vormde ook een drive om extra hard te werken – fuck it, I’ll show you. Maar nu zie ik ook wel het voordeel van de naam in: in de kunstscene is het meer dan goeie PR.”
Wat herinner jij je van 2 november 2004?
“In het klaslokaal hoorde ik de schoten op mijn vader. Maar ik probeer er zo weinig mogelijk aan te denken, want er komt alleen maar agressie naar boven. De manier van het herdenken is dan toch ruzie zoeken met mensen op straat.”
Hoe heeft het verlies van je vader jou gevormd?
“Ik ben er uiteindelijk wel sterker door geworden, denk ik. En mijn schenen zijn echt dood, van het afreageren. Kickboksen is goed tegen woede, dus dat gaat wel hand in hand.”
Kun je over de Linnaeusstraat fietsen zonder dat het verleden zich opdringt?
“Ik was laatst bij een nieuwe scharrel die daar in de buurt woont. Na een topavond liep ik de volgende ochtend, best leeg en moe, langs de bewuste plek en toen dacht ik wel ‘kutzooi’. Maar ik kom er niet echt meer, om eerlijk te zijn.”
Wat is de mooiste herinnering die je aan je vader hebt?
“Toen ik een keer jarig was, organiseerde hij een slaapfeestje – alle vriendjes uit mijn klas konden blijven. In die tijd had hij ruzie met de directie van een school in de buurt. Hij had allemaal spuitbussen gehaald en wij mochten de hele school onderspuiten met fucking troep. ‘Wat ben je aan het doen!’, reageerden de buren. Hij gaf zijn adres en zei: ‘Laat ze maar bellen, hoor.’ I love it.”
Waar droomde je als jongen van, nog vóór er sprake was van kunst?
“Ik wilde het leger in. Maar dat is ’m niet geworden.”

Jij lijkt me anders niet het type dat schuttersputjes graaft.
“Nee, maar een pacifist ben ik ook niet echt.”
Na de kunstacademie trok je naar Zuidoost-Azië om te thaiboksen. Vertel.
“Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest als toen. Zes à zeven uur per dag trainen in zo’n vechtkamp is echt top. Er heerst een heel rare positiviteit: je trapt elkaar helemaal verrot, maar wel met een soort wederzijds respect. Heerlijk man, paradise! Ik kan niet wachten om weer terug te gaan. Tot die tijd moet ik het doen met mijn bokszak in de tuin achter mijn studio. Tussen het schilderen door doe ik af en toe zes trapjes.”
Terug uit Zuidoost-Azië ging je in de horeca werken. Dat hield je tien jaar vol.
“Ik had geen doel voor ogen. En van je twintigste tot je dertigste maakt het allemaal ook niet uit – je hebt iets van: dit is voor altijd, hartstikke leuk, het komt allemaal goed. Veel blowen ook. Elke dag wake and bake, de toekomst vooruit-blazen. Dan word je dertig en dringt plots de keiharde realiteit door dat je een kutbaantje hebt: de hele dag roti’s in de magnetron gooien… Dan denk je op een gegeven moment toch: dit gaat ’m niet worden.”
Squirten in kleuren
Wat waren jouw eerste vingeroefeningen met schilderen?
“In de keuken werkte ik met van die spuitflesjes om sauzen op het eten te squirten. Ik had een goeie grip op die dingen, ze lagen lekker in de hand, en ineens popte een eureka-moment op: laat ik die flesjes eens met verf vullen. Want met een kwast in de hand shake ik als een soort Michael J. Fox. Met die techniek ben ik gaan experimenteren. Had ik niet in de keuken maar achter de bar gestaan, dan was de kans groot dat het geen succesverhaal was geworden en ik in de Wajong terecht was gekomen.”
Tijdens de lockdown had je alle tijd om aan je eigen schilderstijl te werken…
“De horeca lag op zijn gat in die tijd. Eerst begon ik een klusbedrijf, samen met een jongen die ik ken. Toen we om vijf uur ’s ochtends in Kudelstaart een plafond aan het leggen waren met de radio aan, drong tot mij door: dit gaat ’m ook niet worden. Op dat moment besloot ik me volledig op het schilderen te storten. Ik woonde in een appartement van 42 vierkante meter. Dat heb ik omgebouwd tot studio. Dat was best een dingetje, want ik woonde samen met mijn ex. En het werkt niet bepaald bevorderlijk voor je relatie als je alle meubels aan de kant schuift.”
Hoe lang duurde het voordat jij jouw stijl ontwikkeld had?
“Wel een paar jaar. In 2018 begon ik te experimenteren met die spuitflesjes, in 2022 durfde ik voor het eerst naar buiten te treden met mijn werk met een solo-expositie in De Hallen Studio’s in Amsterdam. Het ging stapsgewijs. Het lukte mij bijvoorbeeld eerst nooit om een vrouw vrouwelijk te laten lijken, ze leek meer op een breedkakige ork. Met kledingplooien had ik het ook moeilijk, dat zag er altijd messy uit. En nog steeds maak ik progressie.”

Als je nu terugkijkt naar die eerste werken…
“Mijn schilderkunst toont progressie, maar ook de eerste werken verkochten goed. Die waren iets schattiger dan wat ik nu maak: minder mensen willen blijkbaar een T-rex met grote pupillen boven de bank. Ik houd wel van dingen die een beetje edgy zijn. Als kind had ik dat al.”
Laat jij je behalve door demons en dino’s niet ook inspireren door politiek, gezien de titels van sommige werken: As a wise president once said, Atomic republican, The pessimistic adventures of Captain Welfare…?
“Ik probeer nog steeds zoveel mogelijk de kont van Donald Trump te likken, want het plan is om naar Amerika te gaan. Het wordt tijd om de boel aan het grote publiek te laten zien. Getting out there, weet je. En Amerikanen zijn ook meer geneigd om de creditcard te pakken. De naam Van Gogh doet het daar natuurlijk retegoed. Net als: ‘His dad got murdered by a terrorist!’ Zo heeft een arts in Missouri via onze website een werk aangekocht. In zijn wachtkamer hangt nu het schilderij PTSD in the forest: Bambi met een M60-machinegeweer, als Rambo, om wraak te nemen omdat zijn moeder vermoord is. Een patiënt van hem, een oorlogsveteraan, zag dat werk hangen en schreef mij een brief met de vraag of ik een portret wilde maken met als ingrediënten zijn waanbeelden van de oorlog. Dat is Warface geworden: iemand met een zwaar verbrand gezicht die salueert. Hij was er helemaal happy mee en zei dat ik kijk had op zijn trauma. Hij kwam speciaal overgevlogen naar Amsterdam! Hebben we het samen op een drinken gezet en raakten nog verzeild in een vette matpartij met taxichauffeurs. De volgende dag werd ik wakker met een beurse kaak. Was een leuk avondje geweest, maar wel echt heavy shit hoor, die gast. Die is getekend voor het leven. Misschien toch maar goed dat ik niet in het leger ben gegaan…”
Van titels als Neushoorn zonder neusschot en Horsing around leid ik af dat drugs ook een inspiratiebron vormen?
“Ik ben een nachtuil, soms gebruik ik wat. Ik kan niet 100 procent Wibra gaan. Zeker weten dat geen van de klanten van kantoorboekhandel Gebroeders Winter ooit drugs heeft gebruikt – die zijn te veel bezig met gummen daar. Dat is ook geen leven. Het is een dunne lijn tussen de Gebroeders Winter, Wibra en van het Hilton af springen.”
Zit er in jouw werk iets van je vader?
“Ja, in elk schilderij zit een lepeltje as, hahaha! Daarom zijn ze ook zo peperduur allemaal (variërend van 4.000 tot 12.000 euro, red.). Nee, nee, nee… mijn vader komt niet echt terug in mijn werk. Hooguit in een schilderij van een zombie, dat ik Night of the Living Dad heb genoemd.”
In hoeverre is schilderen voor jou ook een manier om met verdriet te leven?
[Zijn hond zoekt aandacht] “Benji, rustig aan, papa heeft het over kunst. Of ik mijn verdriet wegschilder? Neuh… Ik word weleens emotioneel, maar dat heeft meer te maken met de muziek die altijd keihard op staat wanneer ik aan het schilderen ben. Vooral als ik een nacht doorwerk en bepaalde nummers langskomen, wil ik weleens op de sentimentele toer gaan. Maar vaker krijg ik er energie van of komen er ideeën naar boven.”
Energie zul je nodig hebben gehad voor de opdracht die je van Corendon kreeg: het beschilderen van de Boeing die in de tuin van Corendon Village Hotel Amsterdam staat.
“Het is een sticker, hoor, ik heb niet op het vliegtuig zelf geschilderd. In de lobby van het hotel zelf hangt ook nog een doek van tien meter. Het allergrootste werk dat ik heb gemaakt, is er een van 20 x 2 meter. Die hing in een galerie die inmiddels is opgedoekt. Nu staat hij opgerold in ons magazijn. Mocht jij nog iemand kennen met een hele grote witte muur…”

De vuistslag van een bokser
Kunsthistoricus Jhim Lamoree noemde jouw werk ‘de vuistslag van een bokser’: vitalistisch, energiek, direct. Herken jij jezelf in die typering?
“Ik snap zijn punt. Zelf heb ik thuis helemaal niets aan de muur hangen. Als ik mijn werk vergelijk met een witte muur, dan komt het wel op je af. Het neemt in elk geval weinig feng shui met zich mee.”
Hoe zou jij je werk zelf omschrijven?
“Op die vraag begin ik meestal te stamelen. Daarom heb ik het laatst aan Chat GPT gevraagd. Die kwam met een hele omschrijving: ‘De donkere ondertonen stammen uit zijn jeugd, het kleurgebruik laat het kind in hem zien…’ Nou, dát is een selling point, ha! Beter dan mijn gestamel. Ik ben iets te intens om een goeie salesman te zijn.”
Je werk heeft iets explosiefs. Is dat gecontroleerde kracht, of laat je op het doek juist toe wat in het dagelijks leven geen plek krijgt?
“Het is wel enigszins gecontroleerd. Elk werk begint met een idee en vervolgens een schets. Met een beamer projecteer ik die schets op een doek en maak hem in het groot. Dan begin ik. Eerst breng ik met de kwast een ondergrondje aan en vervolgens laat ik het autisme zijn gang gaan. Als alles in één keer lukt, dat is het allerchilleste gevoel ooit. Alleen, vaak wordt het halverwege iets heel anders en dan ben ik een zoekende op het doek. In één schilderij zitten soms wel een paar werken. Maar je kunt niet te vaak blijven tweaken: als het eenmaal verneukt is, is het ook echt verneukt. Dan ben ik alleen maar aan het kankeren, ga ik tekeer als een klein kind en kruipt Benji bang in de hoek. Dan moet ik even een rondje lopen.”
Jij bent geen stille, ingetogen kunstenaar…
“Allesbehalve. En het is ook fysiek een uitdaging. Ik werk zestien uur per dag en al die tijd sta ik gebogen boven het doek – dat kan niet hangen: de dikke verf die ik erop breng, klettert er anders af. Die houding kickt erin, dan heb ik weleens last van mijn rug. Eerst legde ik het doek op de grond, maar dat was funest voor mijn knieën. Nu werk ik op een tafel. Het is een heerlijke obsessie, maar elke dag zo’n work-out houd ik niet vol tot mijn zestigste. Ik had de afgelopen drie dagen niet normaal veel last, en ook nog eens kiespijn. Een vriendin kwam binnen en vroeg hoeveel ibuprofen ik had genomen. Ik had die dingen als smarties naar binnen gepopt, twee volle strips. Dat was niet de bedoeling naar het schijnt.”
“Het plan is om naar Amerika te gaan. Het wordt tijd om de boel aan het grote publiek te laten zien”
Heb jij nog wel een sociaal leven als je zestien uur per dag aan het schilderen bent?
“In het weekend werk ik weer in de horeca, juist om even onder de mensen te zijn. Want je wordt wel lichtelijk koekoek na een paar dagen riding solo. Dat is mijn sociale leven. En als ik niets te doen heb, ga ik een beetje sporten, met Benji wandelen in het Vondelpark en kijken wat er online allemaal geklaagd wordt.”
In de Volkskrant noemde Eric Sauers jou ‘een ongeleid, lief projectiel’. Herken je dat?
“Enigszins, enigszins… Ik ben non-stop druk. De trailer van Disney-film Peter Pan die ik op vijfjarige leeftijd zag, popt elke dag zeker één keer op in mijn hoofd, en zo nog een paar honderd van die beelden – een constante stroom van unnecessary information. Het is vrij vermoeiend, kan ik je zeggen. Het zal wel insanity zijn.”
Vincent: verwantschap en weerstand
Herken jij als achter-achter-achterneef iets van Vincent van Gogh in jezelf?
“Misschien zijn obsessie, zijn arbeidsethos – knallen, knallen en de rest boeit niet. En ik lijk best op hem. Ik ben weliswaar geen ginger, maar we hebben dezelfde hoge kaaklijn.”
Wat doet zijn werk met jou?
“Vrij weinig. Een paar schilderijen vind ik mooi, zoals Amandelbloesem, en dan meer om het verhaal erachter, hoe hij te werk ging. Maar voor de rest… Het postimpressionisme is niet echt mijn ding. Dan zie ik liever de gedetailleerde balpentekeningen van een dystopisch Tokio van de Japanner Shohei Otomo. Heel vet!”
Jij was uitgenodigd naar het Van Gogh Village in Nuenen, waar Vincent van Gogh gewerkt heeft. Hoe was het om daar rond te lopen?
“Het hele dorp was in rep en roer, ik werd als een paus binnengehaald, jonge moeders wilden dat ik hun baby ging blessen… Ja, hoe was het? We kregen een tour door het museum en langs de molens aangeboden. Was gezellig. Ik was alleen in de veronderstelling dat ik daar mijn schilderijen kon ophangen. The rent is due, dus een leuk projectje was mij niet slecht uitgekomen. Maar het was meer geste dan business. En tijdens zo’n tour kickt de ADHD er toch wel in en kan ik moeilijk mijn aandacht houden bij de uitleg van de gids. It drifts off vrij snel.”
Heeft het Van Gogh Museum nog niet gebeld om een werk van jou in de collectie op te nemen?
“Nee, nog niet. Andere musea hangen ook niet aan de lijn. Wel is mijn werk gekocht door particulieren in China, Amerika, Duitsland, Engeland, België… En natuurlijk door Nederlanders met smaak!”
Vincent zocht op latere leeftijd cafés en bordelen op. Heb jij zelf ook een rand waar het schuurt?
“Op bordelen heb ik het niet zo. Ik ben één keer naar de Wallen gegaan voor een blowjob, maar ik climaxte al toen het condoom werd omgedaan. En cafés vind ik een beetje treurig. Altijd diezelfde vaste gasten die elke dag aan de bar hetzelfde verhaal tegen elkaar vertellen. Ik kom nog weleens in een coffeeshop. Laatst was ik een draak aan het schilderen en al die schubben moesten een donker en een highlight punt hebben. Dan is een joint een uitkomst, want na het zoveelste schubbetje merk je dat het toch wel fijn is om in de juiste frequentie te zitten.”
Heeft een kunstenaar ontregeling nodig om urgent werk te maken?
“Je moet wel een klein beetje koekoek zijn, ja. Een kunstenaar bij wie geen wolkje aan de lucht hangt, is niet te vertrouwen. Je moet altijd wel een beetje de gebroken zielen hebben.”

Ben jij iemand die balans zoekt of wordt het pas interessant als het een beetje uit de bocht vliegt?
“Ik knal gewoon rechtdoor de hele tijd. Knallen, knallen, knallen, man.”
In hoeverre ben jij een levenskunstenaar?
“Ik creëer mijn eigen theater, mijn eigen drama. Als relaties en vrienden zoek ik de ene borderliner na de andere uit, hahaha. Soort-zoekt-soort-verhaal. Eén grote pot fucking koekwaus. Dat kan ik met zekerheid zeggen.”
A rough day at the office
Wat is uiteindelijk het doel van je kunst?
“Het biedt mij de kans om de hele wereld over te reizen, dat vind ik zo fucking leuk! Geld boeit mij niet. Aan het begin van elke maand haal ik bij Zeeman een nieuwe joggingbroek om in te schilderen, ik koop steaks voor Benji en af en toe een joint.”
Wanneer wordt succes gevaarlijk voor een kunstenaar?
“Once the hookers are gone, hahaha! Nee, het kunnen meerdere dingen zijn: als de joy eruit is, als er veel te veel fucking dope in het spel is en vooral als je het als een baan gaat zien – a rough day at the office.”
Ben je bezig met vrijer of met beter worden?
“Beter worden. Vrij ben ik al.”
Wat wil je nog bereiken?
“Mijn eigen studio in LA. In de ochtend de zee in duiken, dan lekker werken, de hond uitlaten en dan weer werken.”
Wat wil je onze lezers meegeven?
“Voor al uw impulsieve aankopen kunt u terecht bij www.therealvangogh.com – ik herhaal: www.therealvangogh.com –, daar zijn zeeën van magie waar u al uw zwarte geld kunt witwassen.”



