Power

Leven tussen Champions League en Carnaval

15 september 2026Door Fleur de Jong22 min lezenMASTERS Magazine

FotografieKároly Effenberger

TekstBart-Jan Brouwer

← Alle verhalen

FotografieKároly Effenberger

TekstBart-Jan Brouwer

Hij werd kampioen met PSV en leefde jarenlang in de adrenaline van het profvoetbal. Maar Björn van der Doelen (Goirle, 1976) koos al vroeg voor een ander ritme. Vandaag is hij muzikant, podcastmaker, familieman en vooral een man die wars is van bravoure om de bravoure. In een openhartig gesprek over kleedkamerhumor, carnaval, muziek en de betrekkelijkheid van succes laat Van der Doelen zien dat rock-’n-roll soms verrassend dicht bij een badstoffen pyjama en een keukentafel vol familie zit.

We ontmoeten de oud-PSV’er, podcastmaker, singer-songwriter én huidig voorman/gitarist van Björn van der Doelen en de Huursoldaten in de lommerrijke binnentuin van Hotel, Restaurant en House of Design Kazerne, dat is gehuisvest in een gerestaureerde monumentale loods in de levendige buurt de Bergen, in het centrum van Eindhoven. Het is dé hot spot waar de werelden van wine, dine & design samenkomen. En vandaag dus ook MASTERS en Björn. Aan een lange houten tafel, achter een kop groene thee en een glas bruisend water, gaan we terug naar de tijd dat Björn nog geen baard en tattoos had.

VAN PSV TOT N.E.C.

Je werd als jochie al door PSV binnengehaald. Was dat toen een droom die uitkwam?

“Ja, ik wilde van kinds af aan profvoetballer worden. In die tijd was ik nog voor Ajax. De club organiseerde elk jaar een open dag op De Meer, waar jongens uit het hele land partijtjes speelden terwijl scouts langs de lijn stonden. Ik werd eruit gepikt door Tonny Bruins Slot. Alleen: Amsterdam was voor ons te ver. Ons pap runde een bloemenzaak in Den Bosch en kon niet iedere dag op en neer rijden. Dus belde hij zelf het jeugdsecretariaat van PSV: ‘Mijn zoon kan aardig voetballen, mag hij een keer meetrainen?’ Dat kon. ‘Laat hem donderdag maar komen.’ Zo ging dat toen nog. Op die training zagen ze genoeg. Ik mocht de rest van het seizoen iedere donderdag blijven meetrainen en sloot het jaar erop officieel aan. PSV begon in die periode net serieus werk te maken van een meer persoonlijke jeugdopleiding.”

Wie was in die tijd jouw idool?

“Mijn kamer hing vroeger vol met posters van Ajax en spelers als Marco van Basten en John van ’t Schip, die later nog mijn trainer werd. Maar uiteindelijk had ik nog meer met jongens als Sören Lerby en later Jan Wouters.”

Had jij datzelfde karakter: bikkelen, volle bak erin?

“Ik kon óók goed voetballen, maar dat gold voor iedereen in de jeugd van PSV. Naarmate we verder kwamen, zag je vanzelf waarin spelers zich onderscheidden. De een viel op in techniek, ik meer in het veroveren van de bal. Al vroeg ging het vrijblijvende eraf. Op mijn veertiende werd ik geselecteerd voor het nationale jeugdteam en bood PSV me mijn eerste contract aan. Dat stelde toen nog niet veel voor. Maar op mijn negentiende tekende ik voor vijf jaar, en dát was een serieus contract. Dan heb je het over twee miljoen gulden voor die hele periode.”

Met wie heb jij in de kleedkamer of op trainingskamp het hardst gelachen?

“In de jeugd trok ik veel op met Tommie van der Leegte. Onze families gingen zelfs samen op vakantie, dus dat was echt een goede vriend. Ook was ik close met Jürgen Dirkx en later met Wilfred Bouma. We hadden op een gegeven moment sowieso een geweldige groep, met jongens als Theo Lucius, Ruud van Nistelrooij, André Ooijer, John de Jong, Arnoud Bruggink en Ronald Waterreus. Later, bij FC Twente en N.E.C., heb ik vooral veel lol gehad met Patrick Pothuizen. Met hem heb ik echt verschrikkelijk veel gelachen.”

“Van mij hoeft er helemaal geen boek over mijn voetballeven te komen''

Kun je een voorbeeld noemen van kleedkamerhumor?

“Wil je dat echt weten? Bij N.E.C. kregen we met Pasen een doosje beschilderde eieren mee naar huis. Patrick had zijn doosje in mijn auto verstopt. Na een paar dagen wist ik niet wat ik rook – het stonk verschrikkelijk. Natuurlijk heb ik hem teruggepakt. Na een teamuitje bleef ik een keer bij hem slapen. De volgende ochtend moest hij de stad in en bleef ik alleen in zijn huis achter. ‘Trek de deur maar achter je dicht’, zei hij. Dus ik nam een krant, deed mijn behoefte daarop en schoof die onder zijn bed. Later die dag hing hij aan de lijn: ‘Ik ruik stront.’ Hij werd helemaal gek, maar kon niet vinden waar het vandaan kwam. Pas na een paar uur heb ik gezegd dat hij eens onder zijn bed moest kijken. Stront was sowieso een terugkerend thema in de kleedkamer. We hebben ooit de verbandtrommel van clubfysiotherapeut Cees van der Linden leeggehaald, er een drol in gelegd en hem weer netjes dichtgedaan.”

Je speelde in Eindhoven, Luik, Enschede en Nijmegen. Wat heeft elke stad jou geleerd?

“Zo’n loopbaan vormt je. Ik ben vanaf mijn tweede opgegroeid in Hintham, bij Den Bosch. Toen ik in de jeugd van PSV kwam, merkte ik meteen dat Eindhoven een totaal andere stad was. Alleen al qua taal: een Bosschenaar praat rauwer, met een rollende r, terwijl Eindhoven bijna een Vlaamse tongval heeft. Ook architectonisch is het contrast groot: Den Bosch is een oude vestingstad met een historisch hart, Eindhoven was van oudsher veel functioneler en minder uitgesproken mooi. En ook in mentaliteit voelde je verschil. Den Bosch is wat chauvinistischer, meer op zichzelf. Eindhoven was door Philips altijd al opener, met arbeiders uit andere delen van Nederland en later ook uit Italië, Spanje, Marokko en Turkije. Nu zie je dat opnieuw met de expats rond ASML. Op mijn 21e kwam ik in Luik terecht. Je rijdt bij Maastricht de grens over en belandt echt in een andere wereld. Ook een rauwe stad, maar met een heel eigen energie. Je moet er Frans leren, sneller op eigen benen staan. Het is ook een echte studentenstad, met fantastisch eten. Daar leerde ik weer omgaan met een totaal andere dynamiek.”

Waar gedij jij het beste?

“Ik red me eigenlijk overal wel. Behalve in Amsterdam. Dat is me te groot, te druk, te veel.”

Had je niet in wat meer steden willen voetballen: Barcelona, Londen, Rome…?

“Nee. Het buitenland heeft me nooit echt getrokken. Ik wilde altijd dicht bij ons pap en ons mam blijven. Ik vond België al ver zat.”

Je stopte al op je 29e met voetballen. Waarom zo vroeg?

“Ik had er gewoon niet zoveel zin meer in. Eigenlijk speelde dat al eerder. Toen mijn contract bij FC Twente afliep, wilde ik al stoppen. Ik had het daar niet naar mijn zin. John van ’t Schip werd opgevolgd door René Vandereycken, er kwam een nieuwe voorzitter, en ik had sterk het gevoel – ook door wat er in de pers verscheen – dat ze van de grootverdieners af wilden. Jongens als Jack de Gier, Tommie van der Leegte en ik. Dat maakte het allemaal niet prettig. Gelukkig haalde N.E.C. me op. Daar heb ik een fantastische tijd gehad. Tot ik na twee jaar op de bank belandde. Toen heb ik ons mam gebeld en gezegd: ‘Ik stop ermee.’ Zij was eigenlijk opgelucht. Mijn vader zei nog: ‘Waarom ga je niet nog een jaar naar Japan, goed geld verdienen?’ Maar daar had ik totaal geen behoefte aan.”

Veel ex-voetballers missen na hun carrière de adrenaline, status of kleedkamer. Wat miste jij?

“Het geouwehoer in de kleedkamer vond ik altijd prachtig. En natuurlijk die grote wedstrijden tegen Ajax, Feyenoord, Champions League-avonden. Laatst werd er voor het 125-jarig bestaan van N.E.C. een wedstrijd met oud-spelers georganiseerd. Dat was echt een flashback naar twintig jaar geleden: na afloop een pilsje, naar huis rijden, daarna nog de stad in. Daar kijk ik met heel veel plezier op terug. Maar het is ook zó lang geleden. Bijna een ander leven, bijna een andere versie van mezelf. Ik was 29 toen ik stopte en ben nu 49. Als je in die twintig jaar niks veranderd bent, dan heb je iets niet goed gedaan.”

Wat was voor jou het echte hoogtepunt van je carrière?

“De kampioenschappen, de topwedstrijden. Alleen: op het moment zelf besef je vaak niet hoe bijzonder het is. Nu pas, achteraf, zie ik dat beter. Je groeit erin op, het is je leven, en je bent vooral bezig met wat er níét goed gaat. Eigenlijk zonde. Dat is ook wat ik jonge spelers zou willen meegeven: geniet ervan. Je doet precies wat je het liefste doet.”

Er verschijnen stapels voetbalbiografieën van spelers die minder te vertellen hebben dan jij. Welke titel zou jouw biografie moeten krijgen?

“Houd op. Er heeft ooit iemand naar geïnformeerd, maar dan zou ik liever zelf schrijven, zoals ik ook liedjes schrijf. Alleen hoeft er van mij helemaal geen boek over mijn voetballeven te komen. Dan gaat het wéér alleen over die periode, terwijl dat ook maar iets is wat ik ooit gedaan heb. Ik vind het veel interessanter om te schrijven over mijn meisje, de kinderen, ons pap en ons mam. Juist die ogenschijnlijk kleine dingen bepalen uiteindelijk wie je bent. Voetballer was een beroep dat ik een tijd heb uitgeoefend. Een boek daarover zou al snel niet meer zijn dan een bundeling anekdotes en wat namedropping om de verkoop op te stuwen. Dat interesseert me totaal niet.”

BJÖRN EN ZIJN HUURSOLDATEN

Thuis in huize Van der Doelen klonk van Julio Iglesias tot Ad de Laat. Wanneer merkte jij voor het eerst dat muziek voor jou méér was dan achtergrond?

“Daar ben ik me eigenlijk nooit heel bewust van geweest. Pas toen ik op het internaat in Eindhoven zat en veel heimwee had, begon muziek echt iets voor me te betekenen. Het hielp me erdoorheen. Ik wilde graag drummen, maar dat vond ons pap geen goed idee – we woonden tenslotte in een rijtjeshuis. Ons mam gaf me toen geld mee en zei: ‘Koop dan maar een gitaar.’ Dat moest wel een akoestische zijn. Alleen kwam ik óók met een elektrische versterker thuis. Toen kreeg ik van ons pap een koptelefoon, want hij had geen zin om de hele dag naar dat gejengel te luisteren. In het begin heb ik zelf wat zitten aanklooien, met een boek erbij en cassettebandjes om mee te spelen. Dat schoot niet echt op. Na school heb ik nog een jaar Economie en een jaar Psychologie gestudeerd, maar ik zag mezelf daar nooit mijn werk van maken, zeker niet toen ik eenmaal mijn contract bij PSV had getekend. Naast het voetbal ben ik toen gitaarles gaan nemen. Dat vond ik heerlijk: even met iets totaal anders bezig zijn dan voetbal.”

Wat was de eerste plaat die je kocht?

“Voor mijn verjaardag kreeg ik een album van Tracy Chapman. Maar ik was compleet idolaat van Queen, dus Tracy Chapman moest het daar wel tegen afleggen. Toen Freddie Mercury overleed, vond ik dat echt verschrikkelijk. Het nieuws kwam op zondagavond naar buiten en de volgende ochtend moest ik weer met de trein naar Eindhoven, naar het internaat. Ik weet nog dat die andere jongens het vooral grappig vonden hoe van slag ik was.”

Na je voetbalcarrière werd muziek serieuzer. Je eerste single, Bende Mal, belandde in de Op De Camping Top 100 van 2006, tussen namen als Jan Smit, John de Bever en Heino. Denk je dan: ik ben op de goede weg?

“Hahaha. Ik dacht toen van alles. Dat nummer was eigenlijk als grap bedoeld. In Nijmegen had ik platenbaas Rob Peters leren kennen. Hij had een cd’tje gehoord dat ik in een dronken bui met wat vrienden had opgenomen: een medley van bestaande carnavalskrakers, maar dan allemaal met de tekst ‘vinger in je reet’. Dus Mien, waar is mijn feestneus werd dan: Mien, waar is mijn vinger? In je reet! Heel flauw, natuurlijk. Maar op datzelfde cd’tje stond ook Bende Mal, en daar zag Rob blijkbaar wel iets in. Vervolgens zijn we gaan opnemen in de studio waar ook André Hazes kwam. Uiteindelijk belandde dat nummer inderdaad op die campingverzamelaar. En eerlijk is eerlijk: het werd nog best vaak gedraaid. Ik kreeg op een gegeven moment zelfs een afschrift van Buma/Stemra van duizend euro. Ik wist niet wat ik meemaakte. Ik dacht eerst nog dat ík iets moest betalen. Maar dat geld kreeg ik dus omdat het nummer zo vaak was gedraaid. Goed, je moet ergens beginnen. Van daaruit ben ik een band begonnen, die tegenwoordig Björn van der Doelen en de Huursoldaten heet.”

Je oogt als een rocker, maar je schrijft ook klein, breekbaar en verhalend. Zit jouw muziek dichter bij de kroeg, de kerk of de kleedkamer?

“Bij de kroeg, denk ik. Daar komt uiteindelijk alles samen. De kerk ook, en het voetbal net zo goed. Na de wedstrijd en na de mis belandt iedereen uiteindelijk toch weer in de kroeg.”

Waarom zing jij in dialect? Was dat een artistieke keuze of gewoon de enige taal waarin je niet kunt liegen?

“Ik vind dialect mooier en zachter klinken dan Nederlands. Nederlands kan vrij hard zijn. En het grote voordeel van dialect is: het is je eigen taal, daar zit niets tussen. Je kunt je er niet achter verschuilen en niemand mee voor de gek houden.”

Maar daarmee boor je niet bepaald de Amerikaanse markt aan.

“Nee. Maar Amerika is ook wel héél ver weg.”

8WEEKLY noemde jou ‘een ster in wording in zijn bijna zelfgecreëerde muziekgenre’. Hoe zou jij dat genre zelf omschrijven?

“Dat genre bestaat natuurlijk al veel langer. Het gekke is: mijn muzikale beperking heeft me daarin juist geholpen. Ik heb een goede tokkel, kan mezelf prima begeleiden, maar ik ben geen virtuoos. Ik heb dus niet eindeloos veel middelen om mee te werken. Het voordeel daarvan is dat je gedwongen wordt iets te maken dat echt van jezelf is. Toen ik begon, dacht ik nog vaak: zoals híj zingt, wil ik ook zingen. Maar dat kan ik helemaal niet. Dus moet je op zoek naar iets wat bij jou past. Iets vertrouwds, iets eigens. Mijn jongste zoon zei ooit: als jij had kunnen zingen als Freddie Mercury, had je waarschijnlijk heel andere muziek gemaakt.”

Je nieuwe album is opgenomen in een Oostenrijkse berghut. Dat klinkt romantisch, maar wat leverde die plek muzikaal op wat een studio in Brabant niet had gekund?

“Ik kom daar al mijn hele leven. Toen ik aan deze plaat begon, waren mijn meisje en ik dertig jaar samen. Ik vond het mooi om die tijdspanne op de een of andere manier in die muziek te vangen. Die berghut ligt op vijftienhonderd meter hoogte. Je kijkt er prachtig weg over de natuur en daar word je vanzelf rustig van. Ik dacht: als we daar die plaat kunnen opnemen, is dat echt te gek. De rest van de band zag dat gelukkig ook zitten. Er staan veel warme, gezellige liedjes op, en dat heeft er ook mee te maken dat het daar simpelweg heel fijn en ontspannen musiceren was.”

Is het daar dan de ene schnaps na de andere, of viel dat wel mee?

“Er is inderdaad best wat gedronken, ja. Maar vooral omdat de opnames zó goed en snel gingen, haha. We vertrokken op vrijdag uit Nederland, kwamen zaterdag aan, maar moesten toen nog wachten op de bus met apparatuur. Op zondag konden we door technische problemen pas laat beginnen. Toch namen we die dag nog vier nummers op, en op maandag de overige zeven.”

Is Maandag Als We Rijk Zijn een titel met hoop, ironie of allebei?

“Allebei, denk ik. Mijn meisje koopt iedere winter een lot voor de Oudejaarstrekking. En wij gaan er elk jaar weer vanuit dat we die dertig miljoen gaan winnen. Het wil alleen nog niet echt lukken. Maar goed, we fantaseren er wel volop over wat we ermee zouden doen. Twee jaar geleden viel die trekking op een maandag. Een paar dagen daarvoor maakten we samen een wandeling door het Oostenrijkse landschap. Het was prachtig: blauwe lucht, een dik pak sneeuw, de zon die langzaam achter de bergen wegzakte. Terwijl we daar liepen, zei zij een beetje dromerig: ‘Maandag als we rijk zijn, dan gaan we dit doen en dat doen.’ Dat vond ik meteen mooi. Je moet altijd iets te dromen overhouden. Ik dacht: dit is een zin die perfect op de hoes van het nieuwe album past.”

En wat zou je doen, als je maandag rijk bent?

“Eerst de hypotheek hier aflossen. En daarna iets kopen in Oostenrijk. Wij zijn heel goed in op vakantie gaan.”

Je brengt je platen uit onder je eigen label Val Allemaal Maar Kapot Ik Doe Het Zelf Wel Records. Is dat stoere bravoure, of komt het voort uit diep wantrouwen richting de muziekindustrie?

“Het is vooral een grap. Mijn eerste plaat kwam uit bij Continental, de tweede heb ik zelf uitgebracht, de derde via Bastaard Platen, het onafhankelijke label van Mathijs Leeuwis en Jeroen Kant. Toen zij ermee stopten, heb ik nog Excelsior benaderd, maar daar kreeg ik niet eens antwoord. Toen dacht ik: val allemaal maar kapot, ik doe het zelf wel. Kijk, een artiest van formaat kan niet zonder management. Guus Meeuwis kan moeilijk zelf de telefoon opnemen en ondertussen een stadionconcert regelen. Maar in de relatieve luwte waarin ik werk, kan ik het prima zelf organiseren. Mensen die een plaat willen kopen, kunnen die hier gewoon thuis komen ophalen. De lijnen zijn kort.”

“Ik kreeg op een gegeven moment een afschrift van Buma/Stemra van duizend euro. Ik wist niet wat ik meemaakte''

Je zei ooit dat je het lekker vindt om wat aan te rommelen. Dat klinkt charmant, maar het beschermt je misschien ook tegen al te grote ambities.

“Dat ook, ja. En eerlijk gezegd vind ik het vooral heel prettig. Zo houd ik meer tijd over – en ik ben graag thuis. Zolang we het leven kunnen leiden zoals we dat nu doen, ben ik tevreden. Meer optredens en een groter publiek zou natuurlijk mooi zijn, al is het maar omdat ik mijn band dan een beetje fatsoenlijk kan betalen. Want dat houdt nu niet bepaald over.”

Als voetballer speelde je voor tienduizenden mensen, nu soms voor 150 man. Hoe is dat?

“Soms zijn het er nog minder ook. De eerste keer dat ik mijn eigen liedjes speelde, stonden er nog geen twintig man voor mijn neus. En ik was bloednerveus. Dat is echt een totaal andere discipline dan voetbal. Voetbal is uiteindelijk toch een fysieke sport.”

Komen de PSV-fans dan niet massaal op jouw optredens af?

“Haha, dat was natuurlijk wel waar Bert Pijpers van Continental Record Services op hoopte. Maar ik heb hem meteen gewaarschuwd: ‘Dat gaat niet gebeuren. Er is geen voetbalsupporter die vanzelfsprekend naar een optreden van Björn van der Doelen komt kijken.’”

Als Messi hier morgen een paar tango’s staat te spelen, zit de tent toch vol.

“Ja, maar Messi is ook Messi. Zelfs als hij hier op tafel zou gaan schijten, kopen mensen er nog een kaartje voor.”

Je zit hier keurig aan een glas water en een kop groene thee. Hoe rock-’n-roll is jouw leven eigenlijk nog?

“Nauwelijks, denk ik. Ik houd nog altijd van stevig doorzakken, maar ik geloof ook sterk in discipline. Ik sta altijd nuchter op het podium en heb nooit drugs gebruikt. Maar dat is voor mij ook niet de kern van rock-’n-roll. Rock-’n-roll zit voor mij veel meer in vrijheid, in kunnen doen wat bij je past, zonder je al te veel aan te trekken van wat anderen daarvan vinden. En dat kan prima samengaan met een kop groene thee.”

HELDEN VAN BRABANT

Carnaval speelt een grote rol in jouw werk. Wat is voor jou de ziel van carnaval?

“Iedereen beleeft carnaval op zijn eigen manier, maar voor mij draait het vooral om samenzijn met de familie. We slapen dan met z’n allen bij mijn zus en haar vriend. Zij zorgt iedere ochtend voor het ontbijt, en daar begint de lol eigenlijk al. Ondertussen zitten de vrouwen emblemen op de jasjes te naaien. Zo’n jasje aan, een sjaal om, en je bent er. De ziel van carnaval zit voor mij dus in het samenzijn. En het is ook een uitstekend excuus om een week lang te zuipen.”

Sinds 2021 presenteer je jaarlijks Helden van het Zuiden in het Parktheater in Eindhoven, met gasten als Frank Lammers, Gerard van Maasakkers, Leo Alkemade, Bertus Borgers en Guus Meeuwis. Wie zijn voor jou de échte helden van het zuiden?

“Gerard van Maasakkers, Willy van der Kuijlen, maar net zo goed ons pap en ons mam. De mensen in de luwte. De mensen die niemand kent en voor wie nooit een trofee klaarstaat.”

Wanneer is Brabant op zijn mooist: op maandagochtend in de mist, tijdens carnaval, na een PSV-zege, of gewoon ergens aan de keukentafel?

“Gewoon aan de keukentafel. Iedere vrijdag drinken we koffie in Eetcafé Keesje in Den Dungen, en soms pak ik daar meteen een lunch mee. Zo’n hoekje in een dorp, fietsers die voorbijrijden, en aan een tafeltje twee vaste gasten die om elf uur ’s ochtends al aan het drinken zijn. Dat is voor mij Brabant op z’n best. Pretentieloos.”

“Ik sta altijd nuchter op het podium en heb nooit drugs gebruikt''

Je schrijft veel over herinnering en afkomst. Welke zin, regel of strofe van jezelf komt nog het dichtst in de buurt van wat Brabant ís?

“Deze strofe uit het liedje Fantini Farnese: ‘We hebben zo een bietje lopen kletsen, in de zon gelegen, gij had een fleske wijn meegebracht. Die hebben we helemaal opgedronken, het was een Italiaanse, op het kaartje bij de Jumbo stond ‘soepel en zacht’. Net als gij. Soepel en zacht, net als gij. Wa bende gij toch fijn.’ Al moeten we ook weer niet overdrijven wat Brabant precies is. Het is niet de hemel, al ligt De Kazerne waar wij nu zitten toevallig wel aan de Paradijslijn, haha. Ik heb soms het idee dat vooral buiten Brabant graag wordt benoemd dat iets typisch Brabants is, zeker vanuit de regio Amsterdam. Ik speelde ooit in een kroeg in Amsterdam met twee muzikanten uit Tilburg, en toen zei de eigenaar: ‘Ah, de jongens uit Brabant.’ Niet verkeerd bedoeld, hoor, maar als er twee jongens uit Alkmaar en één uit Haarlem binnenkomen, zegt ook niemand: ‘Ah, de jongens uit Noord-Holland.’ Dat is toch opvallend: sommige provincies worden meteen bij naam genoemd zodra iemand ervandaan komt. Limburg heeft dat trouwens ook. Al heeft dat misschien nog een andere reden, want over het algemeen zijn we niet zo dol op Limburgers, haha.”

SKIESKIETE WILLY

In de Skiete Willy Podcast gaat het over PSV, maar ook over leven, humor en de waan van de week. Is het voor jou wel een voetbalpodcast, of eigenlijk gewoon een Brabantse praattafel?

“Ik probeer het juist zo min mogelijk over voetbal te laten gaan, al lukt dat niet altijd. Uiteindelijk is het natuurlijk gewoon een voetbalpodcast. Maar op een gegeven moment ben je ook wel uitgeluld over voetbal. Tenminste, ik wel. Voor mij zit de uitdaging er vooral in of je het ook over andere dingen kunt hebben. Daar ben ik inmiddels iets voorzichtiger in geworden, want toen ik het wat meer over de grotere dingen in het leven ging hebben, kreeg ik een beetje op mijn sodemieter van de uitgever. Toen we terugkwamen uit Oostenrijk, na een week muziek maken op de mooiste plek denkbaar met geweldige mensen om me heen, was ik er die woensdag gewoon nog niet aan toe om het weer over voetbal te hebben. Het is zo vaak negatief gelul – daar kon ik op dat moment even niet bij.”

Jij kijkt vast niet iedere wedstrijd terug ter voorbereiding op die podcast?

“Nee, zeker niet. Ik mis regelmatig een wedstrijd. In het weekend moet ik vaak optreden, dus dan kijk ik hooguit de samenvatting. En eerlijk gezegd maakt dat ook niet zoveel uit. Ik word nog weleens gevraagd voor voetbalpraatprogramma’s op televisie, maar één keer per week over voetbal praten vind ik al meer dan voldoende.”

Luister jij zelf naar andere voetbalpodcasts?

“Absoluut niet. Als er oorlog uitbreekt en de vijand wil me aan het praten krijgen, hoeven ze alleen maar een voetbalpodcast op te zetten — dan vertel ik alles wat ze willen weten.”

Waar was jij toen PSV kampioen werd?

“We stonden die avond in Nijmegen te spelen, terwijl Feyenoord in Volendam speelde. Tussen de nummers door vroeg ik steeds aan het publiek wat de stand was. Uiteindelijk hoorde ik tijdens het optreden dat het 0-0 was gebleven en PSV dus kampioen was. Maar het is niet zo dat ik dan van mineur naar majeur ga. Ik denk even: yes. En daarna zakt die euforie ook alweer vrij snel weg.”

Wat moet PSV doen om structureel aan de top te blijven?

“Vooral zo doorgaan. En zich niet gek laten maken.”

DE WARE BJÖRN

Jij bent familieman, maker, ex-voetballer, muzikant, acteur, podcastmaker. Waar zit de echte Björn het dichtst tegenaan?

“Bij de familieman. Ik vind veel dingen geweldig om te doen. Zoals vorige week, bij de release van het nieuwe album in de Effenaar: uitverkochte zaal, goede avond, lekker verkocht – fantastisch. Maar echt gelukkig ben ik thuis, met mijn meisje, de kinderen, ons pap en mam, mijn zus. Dat geneuzel onder elkaar vind ik uiteindelijk het mooiste wat er is. Een beetje lullen over niks, heerlijk. Ik doe daar ook graag aan mee. Niets fijner dan mensen die zich op hun gemak voelen en zonder doel ergens over kunnen praten. Daar ben ik misschien wel het beste in.”

Waar ben jij beter in geworden met ouder worden?

“In kijken naar wat wél lukt in plaats van naar wat niet lukt. Anders wordt het leven één lange reeks teleurstellingen. Als ik jou met mijn liedjes of geouwehoer kan ontroeren of aan het lachen kan krijgen, dan is dat voor mij al genoeg. Daar heb ik geen zestigduizend man voor nodig.”

Wat zou de jonge Björn van de man van nu vinden?

“Ouwe lul, zou hij zeggen. De jonge Björn wilde altijd op pad, altijd erbij zijn, niets missen. Nu blijf ik het liefst thuis. Vanavond moet ik nog de deur uit, maar ik kan nu al uitkijken naar het moment dat ik straks in mijn badstoffen pyjama en met die wollen sokken aan die de oma van een vriendinnetje van onze jongste voor ons heeft gebreid, op de bank lig.”

Ik kijk naar een man met baard, zonnebril en tattoos. En ’s avonds trekt die een badstoffen pyjama en wollen sokken aan?

“Dat is de ware Björn. Dat is het nieuwe rock-’n-roll.”