Business & Leadership

Epke Zonderland: Omturnen geslaagd

15 oktober 2026Door Fleur de Jong14 min lezen

FotografieKároly Effenberger

TekstJaap de Groot

← Alle verhalen

FotografieKároly Effenberger

TekstJaap de Groot

Hij staat voor een van de meest iconische momenten uit de vaderlandse topsport. In 2012 wint Epke Zonderland tijdens de Olympische Spelen in Londen als eerste Nederlander goud bij het turnen. Na zijn actieve carrière neemt hij bewust afstand om onder meer zijn studie Geneeskunde af te ronden. Inmiddels reikt Epke Zonderland zijn sport weer de hand. Als toernooidirecteur van het van 17 tot 25 oktober te houden WK Turnen in Rotterdam. Daarover, en nog veel meer, praat de 40-jarige Fries uitgebreid met Jaap de Groot.

Wat doe je op dit moment?

“Na de afronding van mijn studie Geneeskunde ben ik de opleiding tot sportarts gaan volgen in het Martini Ziekenhuis in Groningen. Daar zit ook topsportbegeleiding in verweven, waardoor ik straks via de medische kant weer richting de sport ga bewegen. In dat opzicht maak ik al meters bij SC Heerenveen, waar ik teamarts bij het vrouwenvoetbal ben. Dezelfde rol heb ik bij de schaatsploeg Team Staan – CTS Group, die door mijn zwager is opgericht en waar Hein Otterspeer coach is. Verder verzorg ik presentaties aan het bedrijfsleven.”

Je hebt ook stagegelopen bij het ijshockey.

“Dat was in Thialf bij het WK ijshockey voor vrouwen onder 17. Ze hadden een mooie titel voor me bedacht: Chief Medical Officer. Met als taak de contacten met de lokale huisartsen, tandartsen, apotheken en ziekenhuizen af te stemmen met het toernooi. Op de werkvloer hoefde ik in principe niks te doen, wel was ik verantwoordelijk voor de hele medische organisatie. Het was eigenlijk alles in één. Beetje management, beetje coördineren, beetje logistiek. Leuk en leerzaam, omdat ik zo weer kennis opdeed van het managen van een team.”

Wanneer begin je als toernooidirecteur bij het WK turnen?

“Het toernooi is van 17 tot en met 25 oktober en dat zijn eigenlijk de dagen dat ik echt als directeur actief ben. Daarvoor zijn er nog diverse activaties, zoals de Wereldhavendagen in Rotterdam. Daar hebben we meteen de bekendmaking van de subdivisies van het WK aan gekoppeld. Zo zijn er nog wat andere activiteiten, maar het echte werk begint vanaf dag één van het WK.”

Door wie ben je gevraagd?

“Door de turnbond, die het WK samen met TIG Sports organiseert. Daarvoor was ik al mee geweest naar Kroatië om de presentatie van het bid te ondersteunen. Dat was vlak nadat ik gestopt was, dus is dit daarop een mooi vervolg.”

“Als jij alleen maar sport en je geeft ’s ochtends alles, ’s middags alles en dat dag in dag uit, dan is dat mentaal loodzwaar. Je wordt minder kwetsbaar als je de wereld wat groter maakt. Met natuurlijk topsport als prioriteit, maar niet als enige in het leven”

Je bent in 2021 na je laatste wedstrijd op de Olympische Spelen gestopt. Had dat ook te maken met alle reuring binnen het turnen op dat moment?

“Dat heeft nooit een rol gespeeld. De laatste vijf jaar ging mijn lichaam steeds meer protesteren. Waarschijnlijk zat ik qua overtraining op de grens. Er waren dagen dat ik totaal geen energie had. Dus als ik ging trainen en bij de rekstok kwam, dan voelde ik meteen dat het ’m niet ging worden. Vanaf 2012 had ik alle mogelijke titels gewonnen en me voorgenomen dat ik door zou gaan zolang ik het gevoel had dat ik nog beter kon worden. Op een gegeven moment bleef de groei een beetje achterwege. Dan is het wachten op dat je achteruitgaat, het plezier minder wordt en de ambitie afneemt. In 2019 had ik mijn laatste successen en in 2020 nog drie maanden zo goed getraind dat ik zelfs dacht dat ik op de Olympische Spelen beter dan ooit zou zijn. Door covid werden die een jaar uitgesteld en was het momentum voorbij. Zeker het laatste half jaar richting Tokio was waardeloos. Ik zat duidelijk op de grens van mijn lichaam.”

Jij hebt dus weinig last gehad van alle ellende rond vooral de turncoaches?

“Het blijft natuurlijk één sport. Aan de andere kant zit er ook een scheiding tussen het dames en heren turnen. Zeker wat de coaches betreft. Dus in die zin had ik daar geen last van. Maar het is wel vervelend dat de sport waar jij zo trots op bent zo naar buiten overkomt.”

Er zijn veel mensen beschadigd. De meesten ten onrechte.

“Absoluut. Veel coaches zijn achteraf vrijgesproken, maar beschadigd zijn ze wel. Er is in die periode sowieso veel schade aangericht. Bij de trainers die ik heb meegemaakt was de intentie gewoon goed. Daar heb ik geen enkele twijfel over. Of alles wat ze deden juist was, zeker pedagogisch gezien, vraag ik me wel af. Zeker op jongere leeftijd heb ik weleens gedacht ‘dit is wel een heel harde wereld, waarin weinig ruimte voor een grapje is’. Natuurlijk is het topsport; een harde wereld waarin hard trainen een vereiste is. Maar het moet wel leuk zijn. Vooral leuk zijn. En dat is het niet altijd geweest. Het is heel jammer dat er vooral vrouwen zijn die daar blijvend last van hebben gehouden.”

Het ging vooral fout toen de olympische selectie vlak voor de Spelen door de turnbond in de val werd meegetrokken. Toen werd de nieuwe generatie ook geslachtofferd.

“Dat was helaas het gevolg van hoe alles helemaal overhoop werd gegooid. Ergens is het heel knap dat de turnsters het in Tokio nog redelijk goed hebben gedaan.”

Is het turnen inmiddels weer op de goede weg?

“Omdat ik er nu iets te ver vanaf sta, zijn mijn kinderen mijn belangrijkste referentie. Mijn oudste is net gestopt, maar die heeft twee jaar in Heerenveen geturnd. Als je nu de pedagogiek – waar het mis is gegaan – vergelijkt met die uit mijn tijd, dan is er heel veel verbeterd. Ik heb toen zelfs aangegeven, dat ik het mijn eigen dochter nooit zou aandoen. Maar dat is echt veranderd. Mede dankzij de trainers die al bezig waren de toen heersende cultuur te veranderen. Mensen die later ook alles over zich heen hebben gekregen, terwijl ze al goede dingen hadden gedaan. Het was niet goed hoe het was, maar voordat het allemaal naar buiten kwam, waren er al stappen gemaakt. Zeker hier in het noorden.”

Het dossier met klachten lag al een jaar bij directrice Marieke van der Plas, die pas ging schakelen toen het in de publiciteit kwam. Ze is als een olifant door een porseleinkast gegaan en pakte meteen na Tokio haar biezen.

“Dat klopt. Helemaal als je niet uit de turnwereld komt is het heel lastig om een heersende cultuur in één keer te veranderen. Het belangrijkste is nu dat voorkomen wordt dat turnsters en turners last van de cultuur blijven houden waarvan ze jarenlang onderdeel zijn geweest. Uiteindelijk is het een heel kleine wereld. Ze gaan naar school en verder gaat alle vrije tijd in het turnen zitten. Als ze uiteindelijk stoppen, dan is het in één keer leeg. Dan vallen ze ook letterlijk in een zwart gat, ook sociaal gezien. Dat maakt ze heel kwetsbaar. Hun hele identiteit is alleen die van topturner of topturnster. Daarom moet de opleiding breder worden getrokken. Intensief ontwikkelen als turnster of turner, maar daarnaast ook genieten van andere dingen.”

“We hebben genoeg turntoppers in Nederland, die zich diverse keren voor de Spelen hebben gekwalificeerd. Toch kunnen die jongens net aan rondkomen. Hetzelfde geldt voor de coaches. Voor topcoaches met veel kennis en kwaliteit is geen geld. Die vertrekken naar het buitenland of stoppen”

Maar kan je internationaal nog mee als je die maximale focus aantast?

“Dan kijk ik naar mezelf. Ik heb zowel mijn middelbare school als een universitaire opleiding ernaast gedaan. Weliswaar allebei met vertraging, maar toch. Ik speel trompet en heb gitaar en basgitaar leren spelen. Daar gaat tijd in zitten, maar het zorgt ook voor ontspanning. Dat als ik weer in die turntunnel stond, ik helemaal scherp was en klaar om honderd procent te geven. Als jij alleen maar sport en je geeft ’s ochtends alles, ’s middags alles en dat dag in dag uit, dan is dat mentaal loodzwaar. Als ik door een blessure er maanden uit lag, dan ging ik me focussen op mijn studie en zat ik toch goed in mijn vel. Je wordt minder kwetsbaar als je de wereld wat groter maakt. Met natuurlijk topsport als prioriteit, maar niet als enige in het leven.”

Recentelijk heeft de turnbond Jan van Veen en Patrick Roël als bondscoach en teamleider topsport aangesteld. De één komt ondermeer uit het schaatsen, de ander uit de skisport. Allebei zonder binding met de turnsport.

“Op managementgebied zou het nog kunnen. Ook omdat ik heb ervaren dat mensen van buiten de turnsport dat toch prima oppakten. Tegen de functie van bondscoach kijk ik wel anders aan. Het is heel erg van belang dat je in de sport zit. Dat je weet wat de belangen zijn en wat belangrijk is. Maar goed, veel mensen met veel ervaring, kennis en kwaliteit zijn weggeveegd. Door dat probleem kom je misschien toch uit bij iemand van buiten het turnen.”  

Je bent na je carrière betrokken geraakt bij het ijshockey, schaatsen en voetbal. Hoe groot is de kans dat de functie van toernooidirecteur je dichter bij het turnen brengt?

“Heel groot. Ik heb bewust gekozen om tijdens mijn opleiding een beetje los te komen van het turnen en juist in andere sporten ervaring op te doen. Om zo een bredere kijk te creëren. Intussen merkte ik dat gevoelsmatig de binding met het turnen intact bleef. Daarom komt de rol bij het WK turnen op een goed moment. In februari studeer ik af als sportarts en ben ik op de achtergrond al betrokken bij Sportgeneeskunde Friesland. Daar valt het topturnen ook onder. Dus is ook dit een logische stap om weer bij mijn sport betrokken te worden.”

Als sportarts. Niet in de coaching of begeleiding of bestuurder?

“Die ambitie heb ik nog niet. Ook niet qua ruimte in mijn agenda.”

Als sportarts ben je trouwens sowieso een klankbord voor coaches.

“Zeker als het over de belastbaarheid van sporters gaat. Over dat deel van het prestatiemanagement kan ik natuurlijk mee sparren.”

Bovendien ben je speciaal in fysiologie geïnteresseerd. Het proces wat er met het lichaam gebeurt tijdens inspanning. In hoeverre ben je erachter gekomen dat er tijdens jouw carrière veel anders had gemoeten?

“Leuk dat je erover begint, want dat is iets wat mij getrigged heeft als onderwerp voor mijn onderzoek. Zo heb ik ontdekt, dat ik vooral tijdens de laatste fase van mijn carrière baat zou hebben gehad met meer algemene conditietraining. Ik was door blessures minder belastbaar en qua energie was het ook niet optimaal. Dus ging ik steeds minder doen, terwijl ik naast het specifieke turnen mijn conditie had moeten aanscherpen om zo mijn herstelvermogen te verbeteren. Voor de afronding van mijn studie ben ik dat aan het onderzoeken. Natuurlijk moet er heel veel tijd zitten in het specifieke van de sport, maar om ook de conditietraining op te pakken gebeurt niet veel in het turnen. Daar verdiep ik me nu in. Het is iets waar we volgens mij nog wel wat mee kunnen.”

Is het een proefschrift?

“We hebben er tijdens de opleiding drie maanden voor, dus een proefschrift is echt wel veel meer dan dat. Wel willen ze dat ik een onderzoek doe, daar een artikel over schrijf en dat eventueel publiceer. Ook kom ik er op een laagdrempelige manier met de wetenschap in aanraking. Het is voor mij een stap om eens kritisch naar de belastbaarheid in ook het turnen te kijken. Waar op jonge leeftijd heel intensief, maar ook eenzijdig wordt getraind. Dat heeft consequenties, zeker als ze in de groei zijn. Dus kan je dat beter begeleiden door te onderzoeken hoeveel repeterende belasting iemand op een bepaalde leeftijd aan kan. Opdat we zo’n proces van tevoren gaan sturen, in plaats van te kijken hoe ver we komen, waarna het probleem ontstaat en iemand er twee, drie maanden uitligt.”

Intussen ben je ook aangesteld als toernooidirecteur.

“Toernooidirecteur is misschien niet het juiste woord; toernooiambassadeur is denk ik een betere omschrijving. Het gezicht naar buiten toe. Vooral tijdens het toernooi. En ik hoop een schakel te zijn tussen de turners, coaches en organisatie. Er zijn altijd wel zaken waar ze tegenaan lopen en dan hoop ik de gemakkelijk benaderbare functionaris te zijn die ze uit de turnwereld kennen. Iemand bij wie ze laagdrempelig iets kunnen ventileren. Dat is wat ik hoop te kunnen doen. Dus zowel het gezicht naar buiten als naar binnen toe.”

Het WK is een uniek podium voor de turnsport, zeker na wat er in Nederland loos is geweest. Toch geldt het nog altijd als een conservatieve sport. Ben jij nog steeds een liefhebber van stevige rockmuziek?

“Jazeker.”

Gooi er dan in Ahoy een nummer van AC/DC tegenaan!

“Af en toe gebeurt dat al. Het is niet iets dat niet mag. Alleen moet je wel afvragen of dit ook door de conservatieve jury wordt gewaardeerd. Is het dan slim om te doen? Wel ben ik het met je eens dat het soms spectaculairder kan. Maar tijdens een WK ga je dat niet veranderen.” 

Heb je ideeën hoe je het turnen aantrekkelijk kan maken en dus commercieel interessanter?

“In Duitsland heb je al de Bundesliga, waar een beetje geld in omgaat. Het is voor Nederlandse turners interessant om af en toe die kant op gaan, wedstrijdervaring op te doen en een zakcentje te verdienen. Dat zou ook in Nederland kunnen, tegelijk bied je de commercie een nieuw platform aan. Nu zijn er een NK, EK, WK en Olympische Spelen, verder heeft turnen niet veel te bieden. Een competitievorm zoals de Diamond League bij atletiek zou ook de turnsport een impuls kunnen geven.”

Helemaal als je ziet hoe de huidige turntop moet schrapen om rond te komen. Terwijl het Internationaal Olympisch Comité enorme contracten afsluit, meldt NOC*NSF doodleuk dat voor de Spelen van 2028 de bonussen voor de medaillewinnaars worden afgeschaft.

“Hoewel Nederland het nog steeds heel goed doet, ben ik bang dat er op deze manier toch talenten gaan afvallen. Want niet bij iedereen kan je op 16-jarige leeftijd zien of hij of zij een topper gaat worden. Als je ook nog op de middelbare school zit, dan is het wel een investering om topsport te blijven doen. Er is geen tijd voor een bijbaantje, schulden gaan oplopen, zonder de zekerheid of je het ooit gaat halen. Veel sporters nemen dit in het begin op de koop toe. Die vinden het minimalisme prima, zolang ze maar met hun sport bezig kunnen zijn. Maar als die toch al niet vette pot nog leger raakt, dan houdt het een keer op.”

Jij bent er als topsporter er wel financieel goed uitgekomen?

“Ik mag niet klagen. Ik kreeg op een gegeven moment van NOC*NSF een high potential status, waardoor ik mijn studie kon blijven doen en andere kosten gedekt waren. Toen de successen kwamen, kwamen ook de individuele sponsors. Wat dat betreft heb ik geluk gehad. Maar dat kon alleen omdat ik als turner van mondiaal topniveau was, met ook nog een gouden olympische medaille op zak. Dat is niet voor iedereen weggelegd. We hebben genoeg turntoppers in Nederland, die zich diverse keren voor de Spelen hebben gekwalificeerd. Dan hoor je gewoon bij de wereldtop, toch kunnen die jongens net aan rondkomen. Hetzelfde geldt voor de coaches. Voor topcoaches met veel kennis en kwaliteit is geen geld. Die vertrekken naar het buitenland of stoppen, want die hebben een gezin te onderhouden.”

Hoe is het contact met NOC*NSF?

“Het contact is niet intens, wel ben ik door technisch directeur André Cats benaderd met de vraag wat ik voor NOC*NSF zou willen doen. Ik heb aangegeven, dat ik mijn opleiding wil afronden om eerst daarmee aan de slag te gaan. Natuurlijk kunnen ze me altijd bellen als ze met bepaalde kwesties zitten, maar meer ruimte heb ik momenteel niet. Ik heb een jong gezin, wil mijn opleiding goed afronden en daarna een goede sportarts worden. Wie weet, wordt het later nog wat. Misschien wel als sportarts.”

Wat na het WK?

“Ik hoop op een boost voor de turnsport. Dat de verbinding tussen de topsport en breedtesport is versterkt en sprake is van een relevante nalatenschap. Het zou me heel blij maken als er weer een aanwas komt van kinderen die willen turnen. Op het persoonlijke vlak hoop ik in februari mijn studie sportarts af te ronden.”

Als dat lukt, kan je al ergens aan de slag?

“Bij Sportgeneeskunde Friesland in Heerenveen. Dat is voor mij de plek, omdat vanuit hier heel sportend Friesland wordt gedekt. Zowel de top- als breedtesport.”

Dus krijg je meteen met de topturners te maken.

“Maar ook met de voetballers van SC Heerenveen, de shorttrackers en een deel van het langebaanschaatsen; heel veel topsport maakt gebruik van deze praktijk. Wat me vooral aanspreekt is de combinatie van topsport en breedtesport. Als sportarts ben ik niet alleen bezig met begeleiden van topsporters, ook om mensen in beweging te krijgen die wat minder met sport of beweging hebben. Die verantwoording voel ik ook.”