Wat maakt een hotel écht bijzonder? Is het de geschiedenis, de overdaad aan goud of simpelweg een bed waarin je beter slaapt dan thuis? Tijdens een reis langs iconische adressen en opvallende nieuwkomers blijkt luxe vele gezichten te hebben. Van een herboren New Yorks icoon tot een hotel waar bladgoud bijna de standaard is: drie ervaringen die laten zien dat stijl, service en sfeer lang niet altijd in dezelfde richting bewegen.
BEIGE
Ik blijf me verbazen. Hoe kun je ooit winst maken als je ruim 2 miljard dollar besteedt aan de verbouwing van een hotel Acht? Okay, niet zomaar een hotel, maar het illustere Waldorf Astoria in New York, maar toch. jaar was het hotel gesloten voor de renovatie en nu is het heropend, oude luster in een nieuw jasje. Maar krijgt het ook daadwerkelijk de glans van weleer terug, toen het hotel hét logeeradres was van koningen, presidenten en filmsterren en naamgever van de Waldorf salade? Toen was het groots (letterlijk ook het grootste hotel ter wereld) en enig in zijn soort, maar nu grossiert de stad in super-de-luxe, exclusieve hotels met eenzelfde of zelfs nog hogere instapprijs, beginnend bij zo’n 1.500 euro. Alle art deco-elementen zijn fantastisch gerestaureerd en de enorme en fameuze Peacock Alley, een combinatie van hal, lobby en gang, oogt nog immer imposant. De kamers daarentegen zijn beige. Zoals alle gerenoveerde hotelkamers tegenwoordig beige zijn. Beige van kleur en beige van sfeer. Beige is een allemansvriend. Beige is saai. Aan beige valt niemand een buil. All over beige is ook makkelijk om al je spullen weer terug te kunnen vinden als je je boeltje weer inpakt voor vertrek. Luxueus? Vanzelfsprekend. Wanneer de his and hers wastafels (in VS is genderneutraliteit sinds Trump uit den boze) verstopt zitten in een semi-antiek dressoirachtig meubel, weet je al hoe laat het is: alles tip-top in orde. Supersnelle roomservice (24 uurs roomservice is hier ooit uitgevonden), adequaat personeel, prima bubbels. Niks te klagen dus eigenlijk. Maar of ik terugkom? So many hotels, so little time. En daarbij, nu de gasten niet meer matchen met de ambiance (trainingspakken nu versus bontstola’s toen) is de symbiose zoek. Het Waldorf Astoria is Lost between two worlds, om de titel van Dorin Collins’ beroemdste boek te parafraseren.
GOUD
Eerst dacht ik: hé, zeker een verkleedpartijtje gaande in het hotel. Toen vroeg de man in de satijnen outfit, bestikt met gouden lauriertakken en een glanzend witte hoge hoed boven op zijn opgestoken dreadlocks, of hij me kon helpen met de koffers. Bleek hij de portier van het nieuwe Faena hotel in New York. Faena is een eigenzinnig hotelier die eerder furore maakte met zijn hotels in Miami en Buenos Aires. Faena grossiert in gekkigheid, met een voorliefde voor goud: bladgouden plafonds, gouden kroonluchters, wandapplicaties, tafelranden, hier zelfs een gigantische gouden spiltrap als middelpunt van de lobby. Dat gecombineerd met wandgrote realistische schilderingen van sterrenwichelende koortsdromen en sluipende zwarte panters op een bedje van rozen, en het beeld is duidelijk: vrolijk, Dubai-achtig, warmbloedig en humorvol. Tevens gekmakend druk. Eenmaal op de kamers wordt het een stuk rustiger in zwart-wit en – daar is ie weer – beige, met knalrode accenten (sloffen, rozen, badkamerspulletjes). Manshoge ramen met uitzicht op de High Line en omgeving baden de kamers in licht. Dat laatste alleen mits je een kamer met uitzicht kiest, en uitzicht kost een duizendje extra per nacht. Alles is hier dik in orde – heerlijk bed, geluiddichte kamer –, hoewel ik slecht kan tegen personeel dat je als een oude vriend behandelt. Amicaal okay, nieuwsgierig naar wat je doet in het leven op het randje, maar vragen waarom je alleen reist (‘on your own then, are you?’) is heel wat stappen te ver. Wat is er gebeurd met die heerlijk ouderwetse knipmesbenadering? Ik weet het, ik ben een uitstervend ras, gebrand op hoffelijkheid (mag het voor een paar duizend per nacht?). Het gros van de gasten maalt daar duidelijk niet om; dat iphonet onverstoorbaar door als het personeel het ontbijt serveert. De nieuwe etiquette. Ik heb nog veel te leren.
ROOD
Uit eten in New York is zo hartverwarmend. Dat begint al bij de reservering: ‘Uw reservering bij Barbuto is bevestigd. Uw stafel is gereed om 18.45 uur. U krijgt anderhalf uur de tijd om te dineren als u met z’n tweeën bent, een uur en drie kwartier bij drie personen, en twee uur als u met meer personen bent. Voor uw komst houden we uw tafel tien minuten vast voor we die afgeven aan de wachtlijst. Bij niet of te laat opdagen halen we $ 25 per persoon van uw creditcard. We verheugen ons op uw komst.’ Hoe anders is dat bij restaurant Bougainville van het Amsterdamse hotel TwentySeven. Een Michelinster jazeker, maar ook een ontvangst en bediening om van te watertanden, in het hele hotel trouwens. Vandaar dat Michelin in al zijn wijsheid het hotel twee rode sleutels toekende, de één na hoogste onderscheiding (er zijn maar 7 hotels in de Benelux die dit kregen). Deze sleutels zijn dit jaar voor het eerst uitgereikt en betekenen voor de hotels hetzelfde als de Michelinsterren voor restaurants. Uiterst pretentieus dus. Nederland scoort torenhoog op de lijst. De L’Europe in Amsterdam is het enige in de hele Benelux met drie sleutels, en terwijl België slechts twee twee sleutelhotels heeft, telt Nederland er vijf: naast TwentySeven in Amsterdam ook het Rosewood, Pillows Maurits at the Park en Tivoli Doelen, plus Château Neercanne in Maastricht. Hoe sneu (en terecht, zie boven) scoort New York in verhouding met Amsterdam: hoewel het hotelaanbod daar minstens tienvoudig is t.o.v. onze hoofdstad, kende Michelin daar slechts vier hotels drie sleutels toe. Dat zal ze hopelijk leren.




