Jeugd en de eerste stappen
Je groeide op in een Molukse familie waarin eten en samenkomen centraal stonden. Hoe beïnvloedt die achtergrond jouw stijl van koken vandaag?
“Dat is zeker van invloed geweest op de manier waarop ik kook, maar het is vooral de basis van hoe wij de gastronomie zien. Bij Molukse families is iedereen welkom en is altijd genoeg te eten. Dat warme en gastvrije typeert hoe ik in het leven sta, ook als chef. Bij De Librije maak ik soms een uitstapje naar mijn roots, bijvoorbeeld door gebruik van bepaalde specerijen, maar dat is een uitzondering. Wij voeren de Nederlandse keuken en zijn trots op het Nederlandse product.”
Wanneer werd je zelf actief in de keuken thuis?
“Ik werd daar altijd wel door aangetrokken, maar pas toen ik een jaar of twaalf, dertien was, ben ik zelf een beetje dingen in de keuken gaan uitproberen. En net als mijn broers ging ik vanaf toen één dag per week in de bakkerij werken – een beetje schoonmaken en helpen met inpakken. Ik heb nooit echt het idee gehad: hier ga ik later iets mee doen. Maar toen ik op mijn zestiende een richting moest kiezen, neigde ik toch naar de Hotelschool. Mede omdat het een lekker brede opleiding is, waarmee ik alle kanten uit kon. In het eerste jaar moest ik stage lopen. Ik vond een plek bij Dorset Mansion House van Willem en Kitty Dankers in Borne. Daar kookten ze zo mooi, en ze maakten alles zelf. De vonk sprong over: ik werd verliefd op het koken.”
Je volgende stageplek werd De Librije. Hoe is dat gegaan?
“Daar werkte een chef die eerder in Dorset had gewerkt. Hij zei tegen mij: ‘Je hebt talent. Wat wil je daarmee gaan doen?’ Nou, ik wilde de allerbeste worden. ‘Dan kun je twee dingen doen’, ging hij verder. ‘Of je gaat in stappen van een restaurant met één ster naar één met twee sterren naar één met drie sterren. Of je gaat meteen stagelopen bij een driesterrenrestaurant, dan weet je waar je naartoe moet groeien.’ Dat laatste zag ik wel zitten. Hij regelde dat ik een dag bij De Librije mocht meelopen. Een week van tevoren was ik al met de trein naar Zwolle gegaan en vanaf het station naar De Librije gelopen om uit te zoeken hoe lang ik erover deed – ik wilde wel op tijd komen. De dag dat ik daar ging meelopen was ook de dag dat Jonnie en Thérèse terugkwamen van vakantie. Er heerste een drukte van jewelste, iedereen was aan het rennen. Ik wist niet dat een mens zo hard kon werken. Als ik dit toch kan leren, dat zou wel prachtig zijn. Vanaf het eerste moment was ik mega onder de indruk.”
Ze waren blijkbaar ook onder de indruk van jou, want je kreeg een stage van een half jaar aangeboden.
“Na dat half jaar moest ik van de Hotelschool officieel nog ergens anders stagelopen, aan de voorkant. Maar ik was daar super happy en wilde helemaal niet weggaan. De leraren zagen ook wel in dat dit een unieke kans was. Na goed overleg werd besloten dat ik bij De Librije mocht blijven. Mooi dat de school zich zo flexibel opstelde. Na die tweede stageperiode zei chef-kok Maik Kuijpers dat ik moest blijven. In het begin had ik vooral met hem te maken, naarmate ik langer bleef leerde ik Jonnie en Thérèse beter kennen.”

Professionele groei
Hoe groeide de klik met Jonnie en Thérèse van stagiair naar partnerschap?
“In die tijd stond Jonnie zelf ook nog heel veel in de keuken, waar hij vaak de vis deed. Jonnie was heel goed in mensen lezen en wist wat je nodig had om te groeien en je te ontwikkelen, en dat kreeg je ook. Hij gaf je zijn vertrouwen. Uiteindelijk kwamen we erachter dat we stiekem heel veel op elkaar leken. Vooral in de manier van omgang met mensen: leidinggeven, zonder geschreeuw, aandacht voor je mensen… Dat is wat hij heel belangrijk vond en wat voor mij ook vanzelfsprekend is.”
Je bent altijd bij De Librije gebleven. Heb je nooit een leerperiode bij andere topchefs overwogen?
“O zo vaak, wel twee of drie keer per maand, zeker in het begin. Je bent jong, voor het eerst uit huis, dan meteen op zo’n hoog niveau werken… Je weet nog niks en wordt vrij hard aangepakt om mee te kunnen draaien in dat hoge tempo. Dus ja: toen heb ik echt wel eens overwogen om ergens anders te kijken. Maar elk jaar weer kreeg ik een nieuwe uitdaging. Zo heb ik alle afdelingen van de keuken bewandeld. En klom ik in de hiërarchie.”
Je werd op je 27e chef. Hoe was het om leiding te geven?
“In de jaren daarvoor heb ik veel gekeken naar hoe anderen dat deden. Ik heb de dingen er uitgepikt die werkten en daar mijn eigen stijl van gemaakt. Belangrijkste is dat je respect moet verdienen door zelf altijd hard mee te werken, vind ik. Ik ben een meewerkende chef die het goede voorbeeld geeft, de jongens en meiden in hun groei begeleidt en de tijd voor ze neemt. Altijd vanuit rust en vanuit de organisatie.”
Hoe zou jij je ontwikkeling als chef gedurende de jaren omschrijven?
“Ik groei nog steeds en word nog elke dag een stukje beter. Vooral omdat ik opensta voor verbeteringen en mezelf blijf uitdagen. Hier gaat het echt om de kleinste details, bijvoorbeeld op het gebied van timing of de manier van communiceren. Er werken hier vijfentwintig jongens en meiden. Die zitten allemaal anders in elkaar. Ik geloof niet dat er één manier van leidinggeven is, maar dat je jouw stijl op iedereen een beetje moet aanpassen.”
Hoe was het contact met Jonnie toen je eenmaal chef was?
“Voorafgaand aan mij was Maik dertien jaar lang zijn chef, daarvoor Sidney Schutte tien jaar lang. Twee jongens die lang en intensief met hem hebben samengewerkt en dit samen met hem hebben opgezet. Dus het was best een uitdaging toen ik ineens voor de troepen werd gezet. Maik zei: ‘Je bent nog jong, maar ik weet zeker dat je het in je hebt. Ga er gewoon voor.’ Dat heb ik gedaan. Meestal praatte ik met Jonnie wanneer we ’s avonds klaar waren en de jongens de laatste dingen afmaakten. ‘Kom, zullen we even de dag bespreken?’, vroeg hij. Dan gingen we een uurtje zitten aan de kruidentafel. Soms hadden we aan weinig woorden genoeg en dronken we gewoon een lekker glas wijn. Maar vaker waren het lange sessies over strategie, nieuwe gerechten, innovatie, het team… Door het erover te hebben, kwamen we altijd tot heel mooie dingen.”
Dus nieuwe gerechten ontstaan vaak ’s avonds bij een glas wijn?
“Heel vaak wel, ja. Maar ook ’s ochtends als we er een nachtje over hadden geslapen. Dan kwam Jonnie de keuken in, met de haren nog helemaal in de war: ‘Ik weet het, zo moeten we het doen.’ Vervolgens betrokken we souschef Noah Wynants erbij en dan gingen we aan de slag. Het is een heel proces om een nieuw gerecht te ontwikkelen, want steeds weer dient zich een nieuwe uitdaging aan.”
Op welk gerecht ben jij het meest trots omdat jouw handtekening daarin zit?
“Er zijn natuurlijk heel veel mooie gerechten… Maar deze vond ik misschien wel het mooiste – en toen was ik nog niet eens chef. Het betreft een gerechtje met langoustines met daarbij een sap van snijbonen. Echt een klassieker. Maar Jonnie vond het niet perfect. Ik had een idee wat er miste en ging ermee aan de slag. Er bestaat een klassiek Molukse gerecht, sajoer boontjes: gestoofde snijbonen die zijn opgestoofd met laos, Indische gember – precies wat het sap miste. Ook ontbrak iets van diepgang, van spicyness. Toen heb ik een crème van boemboe erbij bedacht, een geconcentreerde mix van versgemalen specerijen en kruiden. Die crème heb ik samen met een olie van laos gemengd met het sap van snijbonen. En toen was het helemaal af. Jonnie was onder de indruk. Ik denk dat dat ook het moment was waarop hij dacht: die jongen moet ik in de gaten houden.”
Sinds vorig jaar ben je SVH Meesterkok. Wat verandert die titel in jouw manier van werken?
“Helemaal niets. Ik heb het ook niet voor mezelf gedaan, ik heb het vooral gedaan om als voorbeeld te dienen voor de volgende generatie die zich wil blijven ontwikkelen. De meeste chefs die deze titel dragen, zijn niet meer de allerjongste. Dat is niet vreemd, want een van de voorwaarden om die titel te kunnen behalen is dat je minimaal tien jaar op hoog niveau – één, twee of drie sterren – moet werken, waarvan je ook meer dan de helft van de tijd eindverantwoordelijk moet zijn, dus echt de chef van het restaurant. Ik ben een uitzondering omdat ik al op vroege leeftijd begonnen ben. Ik wilde laten zien dat het wel degelijk ook een podium voor jongere generaties kan zijn.”
Welke nieuwe technieken fascineren je op dit moment het meest?
“Qua technieken is alles wel zo’n beetje bedacht. Wat me vooral boeit is de precisie en de discipline waarmee in de Aziatische keuken wordt gewerkt. Ik kom daar graag, maar heb natuurlijk weinig tijd.”
Ben je ooit naar de Molukken geweest?
“Nee, nee… Ik ben een beetje bang dat het gaat tegenvallen. Mij is verteld dat dit het beloofde land is, dat je je meteen thuis voelt als je daar aankomt. Maar ik heb ook over de andere zijde gelezen. En ik wil het plaatje dat ik in mijn hoofd heb niet verstoren. Dus is het er nog niet van gekomen.”
Hoe vind jij de balans tussen innovatie en traditie, bijvoorbeeld in klassiekers als de snoekbaars of de langoustine?
“Wij vinden innovatie heel erg belangrijk, we denken altijd na over nieuwe toepassingen. Maar traditie is ook belangrijk. Op onze kaart staan een Librije-menu en een groentemenu, en daaronder een zestal klassiekers van de afgelopen dertig jaar, waaronder de snoekbaars, de epoisse met konijnenniertjes en de zwezerik. De afgelopen jaren vroeg ik Jonnie weleens of we die klassiekers nog steeds moesten doen, want als kok wil je het liefste altijd met nieuwe en innovatieve gerechten aan de slag. Dan antwoordde hij: ‘De hele wereld komt hier eten. En die mensen willen wel je signatuurgerechten proeven.’ Nu Jonnie er niet meer is, zijn die klassiekers helemaal niet meer weg te denken.”
“De afgelopen jaren vroeg ik Jonnie weleens of we die klassiekers nog steeds moesten doen. Dan antwoordde hij: ‘De hele wereld komt hier eten. En die mensen willen wel je signatuurgerechten proeven.’ Nu Jonnie er niet meer is, zijn die klassiekers helemaal niet meer weg te denken”

Het verlies van Jonnie
Van wie hoorde jij dat hij er niet meer was?
“Ik was op vakantie in Spanje toen Thérèse mij midden in de nacht belde. Het was een uur of twee, drie – ik had het niet gehoord. Kort daarna stuurde ze een bericht: ‘Bel me terug, het gaat niet goed hier.’ Zodra ik dat las, belde ik meteen. Isabelle nam op. ‘Het gaat niet goed met papa.’ Jonnie was die avond opgenomen in het ziekenhuis. Aanvankelijk leek het nog mee te vallen, maar dat keerde die avond 180 graden om. Die middag overleed Jonnie. Jimmie was nog in Zwolle, voor hem werd alles op alles gezet om naar Bonaire te gaan. Ik ben direct teruggekeerd naar Nederland en heb in het restaurant iedereen bij elkaar geroepen. Centaur, het bedrijf van Vincent Wensink, ving de pers op en zorgde dat het restaurant werd afgezet, zodat niemand naar binnen kon.”
Hoe hebben jullie dit als team doorstaan?
“Door veel met elkaar te praten hebben we troost bij elkaar kunnen vinden. In het begin is er natuurlijk heel veel verdriet en ongeloof. Als íémand het verdiende om het rustiger aan te doen en na al het harde werken te genieten van het leven, dan was Jonnie dat wel. De stappen daartoe had hij de afgelopen twee, drie jaar al gezet: hij liet steeds meer los, ging wat vaker naar Bonaire… Het is zo oneerlijk! En dat vond ik heel moeilijk. Zelf ben ik heel snel in de werkmodus gegaan. We gaan ervoor met z’n allen en maken Jonnie trots. Dat was voor mij de omschakeling. Misschien is dat voor de verwerking niet de beste manier, maar het werkt wel.”
Je zegt dat de geest van Jonnie nog altijd aanwezig is. Wanneer voel je dat het sterkst?
“Op momenten dat ik moeilijke beslissingen moet nemen. Voorheen vroeg ik Jonnie om advies. Heb je even, hoe zullen we dit doen? Jonnie was mijn klankbord. Hij vond het altijd fijn dat ik er ook zelf over had nagedacht. Negen van de tien keer zei hij: ‘Als het goed is voor jou is, dan doen we het zo.’”
Hoe doe je dat nu?
“Ik vraag het nog steeds aan hem. Ik stel die vragen in mijn hoofd. Heb ik bepaalde twijfels, dan doe ik het niet; voelt het goed, dan doe ik het wel. Dat zijn dus ook die momenten waarop ik hem het meest voel.”
Wat is je meest dierbare herinnering aan hem?
“Ik heb een dochter van negen, met wie Jonnie een heel speciale band had. Hij zag haar een beetje als zijn eigen kleindochter. Dat vond ik zo mooi! Bijna elk jaar gingen we met onze gezinnen naar Bonaire of Curaçao. Jonnie zorgde altijd voor een goede sfeer en nam mijn dochter apart om een spelletje te doen of even lekker te klieren. Dat zijn wel de mooiste herinneringen.”
Hoe zou je jullie relatie omschrijven?
“In mijn speech op de uitvaart zei ik dat Jonnie meer was dan een chef. Hij was op de juiste momenten als een vader, als een opa, als een neef met de juiste adviezen, als een vriend die een knuffel geeft… Hij was alles ineen.”
Isabelle en Jimmie werken ook in de zaak. Hoe begeleid jij ze?
“Dat is best moeilijk. Jimmie en Isabelle zijn totaal verschillende personen. Wat voor de een werkt, hoeft niet voor de ander te werken. Ik probeer ze zo goed mogelijk te begeleiden, maar geef ze vooral hun eigen ruimte. Er is veel druk, vooral van buitenaf. Kijk alleen maar naar de aandacht die ze hebben in de media. En ook leggen zij, onbewust, zichzelf een bepaalde druk op omdat ze hun vader trots willen maken. Ik geef ze de tijd om alles te verwerken en weer rustig in onze organisatie te komen. Zo werkt Jimmie nu maar twee dagen in de week in De Librije. Hij vindt het namelijk heel moeilijk om hier te zijn, omdat zijn hele jeugd, zijn hele opgroeien, hier heeft plaatsgevonden – zijn vader was altijd hier in de zaak. Isabelle is hier wel gewoon vier dagen in de week.”
Hoe heeft Jonnie’s dood jouw kijk op het leven veranderd?
“Nou, ik sta niet echt anders in het leven, maar wat ik wel weet: ik ga niet tot mijn zestigste wachten om van het leven te genieten. En dat gaf hij me ook altijd mee. Jonnie en Thérèse hebben heel veel uitdagingen gekend. Zoals de verbouwing van het hotel die was gebudgetteerd op 5,6 miljoen en uiteindelijk 13 miljoen kostte. Dat zijn heel zware klappen en daar hebben we het vaak over gehad. ‘Luister,’ zei Jonnie, ‘je gaat nu mee ondernemen, je wordt aandeelhouder. Zorg dat je het goed doet, dat jij wel voor je vijftigste je schaapjes op het droge hebt.’ Dat ben ik wel van plan om te doen.”

Continuïteit van De Librije
Jullie opvolging was voorbereid. Hoe essentieel is dat gebleken in de praktijk van nu?
“Nou, in die zin waren we soort van voorbereid op dit moment. Dat is essentieel geweest voor wat we nu doen. We waren er klaar voor, zijn er klaar voor. We weten precies wat we moeten doen. En het voelt ook goed, omdat dit plan is besproken met hem.”
Waar ligt voor jou de grens tussen het bewaken van Jonnie’s signatuur en het ontwikkelen van je eigen stem?
“Het is natuurlijk niet zo dat nu pas het moment is dat ik mijn eigen stem en mijn eigen signatuur aan het ontwikkelen ben. Dat is de afgelopen vijf, zes jaar al in gang gezet. Stap voor stap werd ik al meer naar de voorgrond geduwd. Ik deed de interviews, ik ging naar uitreikingen… Dat is heel natuurlijk gegaan. De Librije gaat niet veranderen. Want het is ook al vijftien jaar onderdeel van mijn leven. De Librije ís mijn leven.”
Reserveringen zijn met 200 procent gestegen. Wat schuilt daarachter, denk jij? Is het een blijk van medeleven of willen gasten proeven of er iets is veranderd?
“Ik denk een combinatie daarvan. Aan de ene kant zijn mensen heel erg nieuwsgierig. Is er iets veranderd? Maar wat we vooral aan gasten merken is dat ze ontzettend met ons meeleven. En dat ze het knap vinden dat we relatief snel de zaak hebben voortgezet. Want op een vrijdag hebben we Jonnie weggebracht en de woensdag erna waren we alweer open. En zaten we gewoon weer rammetje vol. We hebben geen gasten afgebeld, niets geannuleerd… Als ik daar nu op terugkijk, is dat voor ons wel heel fijn geweest. Het is toch een stukje afleiding. En alles wat we doen is natuurlijk ook heel erg voor Jonnie. Hij zou het niet anders hebben gewild.”
Zag je aan de gasten dat ze misschien niet wisten wat voor houding ze moesten aannemen?
“Ja, dat zag je zeker. Moet ik het personeel condoleren? Moet ik vragen hoe het met Thérèse gaat? We hebben onder elkaar uitgesproken dat dat heel confronterend kan zijn, vooral voor de bediening. Meerdere keren is iemand van de bediening in tranen uitgebarsten aan tafel. Maar dat is goed, wij zijn allemaal mensen. Uiteindelijk ging dat steeds beter en hebben we er ook van geleerd. Op elke tafel staat nu een mooi kaartje met daarop een persoonlijke boodschap van Thérèse. Namelijk dat zij het waardeert dat de gasten gewoon blijven komen en dat het elke dag een stukje beter met haar gaat. Dat is ook zo, Thérèse is ontzettend sterk. Ze werkt alweer elke dag weer mee in het servies. En afgelopen zomer is zij met de kinderen naar Bonaire gegaan, om het af te sluiten. Op momenten kan ze ook weer lekker lachen.”
Ik kan me voorstellen dat het behoud van de drie sterren een boost gaf.
“Mega, ja. Dat zorgt toch weer voor een bepaalde bevestiging. Dat we worden gezien en dat ook wordt gezien dat we er met z’n allen voor gaan. De hoofdinspecteur vertelde dat hij ontzettend veel rapporten heeft binnengekregen de afgelopen tijd. Dus ze zijn met regelmaat komen controleren, zelfs vanuit Parijs. Het behoud van de drie sterren bevestigt dat onze organisatie staat en dat je Jonnie’s ziel nog altijd proeft in de gerechten én in de sfeer. Een mooier compliment konden we niet krijgen.”
Welk ander restaurant in Nederland komt volgens jou in aanmerking voor een derde ster?
“Brut172 van Hans van Wolde en De Nieuwe Winkel van Emile van der Staak zijn wat mij betreft de grootste kandidaten voor drie sterren. De afgelopen twee jaar heb ik ontzettend vaak gegeten in restaurants over de hele wereld, waaronder veel met drie sterren. Vergelijk ik Nederland met andere landen om ons heen, dan hebben wij echt een ongelooflijk hoog niveau. Het zou verdiend zijn als er wat meer twee- en driesterrenrestaurants bij komen.”
Een week voor de Michelin-uitreiking was er nog een feestje: in Milaan won jij The Best Chef Award. Dat betekent dat jij je een van de beste chef-koks ter wereld mag noemen. Had je het zien aankomen?
“Nee, helemaal niet. Het is op basis van stemmers die overal in de wereld eten, van foodies tot chefs zelf. Die maken een ranking van de tien beste chefs van de wereld. Om The Best Chef Award te winnen, een prijs in de vorm van drie messen, moet minimaal 80 procent op jou stemmen. Ik had geen idee! Ze brachten een ode aan Jonnie – ik dacht dat ik daarom was uitgenodigd. Dat eerbetoon was helemaal in het begin. Een heel mooi moment. In de voorste rij was een stoel leeggelaten: die was symbolisch voor Jonnie. Iedereen klapte voor hem – kippenvel. Toen begon de uitreiking van de messen. Enkele Nederlandse chefs kregen één mes. Daarna volgde de uitreiking van twee messen; daar zat Nederland niet bij. En tot slot werden de winnaars van drie messen bekend gemaakt. Op een draaiende wereldbol kleurde elke keer een land goud. Boem, Japan drie messen… Boem, India… Boem, Denemarken… Ik zei tegen Dennis Huwaë van Daalder: ‘Kom op, laten we vast champagne gaan halen voordat de hele zaal straks leegloopt.’ Maar ineens kleurde België goud: Tim Boury viel in de prijzen. Ik schrok een beetje: dat is dichtbij. En toen… Boem, Nederland! Ik dacht: what the fuck? En ja hoor, een grote foto van mij: ‘Nelson Tanate, drie messen.’ Dat was bizar. Ik wist niet wat me overkwam. Met alle andere chefs die drie messen hadden gewonnen, werd ik het podium op geroepen. Dan sta je ineens tussen al die grootheden. Een heel mooi moment. Vooral ook omdat het voor een groot deel een erkenning is vanuit de chefs. Dat is best wel bijzonder.”
Jij bent de tweede Nederlander ooit met deze prijs. Alleen Jonnie ging jou voor.
“Dat maakt het nog specialer. Ik kan je zeggen: de champagne smaakte lekker daarna. Die ging in één keer achterover.”
Toekomst en nalatenschap
Je hebt drie sterren, drie messen, je bent SVH Meesterkok… Wat wil je nog bereiken?
“Dit niveau vasthouden. En ik zie het als een mooie opstap om Nederland op de kaart te zetten, om te laten zien wat we kunnen.”
“In de wereld van nu willen we altijd alles zo snel mogelijk. Maar je moet geduld hebben. Je moet investeren in je toekomst en continu blijven repeteren en herhalen – alleen zo word je beter”
Daarin draag je ook bij met jouw rol in de Cas Spijkers Academie.
“Ja, zeker. Jonnie en ik wilden ons inzetten voor de volgende generaties, om te garanderen dat zich voldoende kwaliteit blijft aandienen. In plaats van zelf een opleiding te beginnen, besloten we de Cas Spijkers Academie te ondersteunen. Dat is echt een mooie opleiding. Ik heb een paar keer een demo gegeven aan leerlingen op de vestigingen in Almelo, Breda en Nijmegen. Dat beviel zo goed dat Cees Helder, die leidinggaf aan de academie, mij bij het bestuur voordroeg als opvolger. Jonnie en ik vonden dat een enorme eer en zeiden meteen ja, maar we doen het wel als team-Librije. Wij doen alle castings en begeleiden de leerlingen richting de examens. We nemen ze mee naar onze leveranciers en nemen de overgangsproeven en examens af. En dat werpt zijn vruchten af. Zo bied ik elk jaar een stuk of twee, drie leerlingen van de Cas Spijkers Academie een stage van een jaar aan. Ze hoeven nog niet de pannen van het dak te koken – ik kan ze alles leren. Belangrijkste is dat ze teamplayer zijn. Alleen daarmee kun je een team bouwen.”
Jonnie zei altijd: heb geduld. Breng jij dat ook over op jouw jonge teamleden?
“Absoluut. In de wereld van nu willen we altijd alles zo snel mogelijk. Maar je moet geduld hebben. Je moet investeren in je toekomst en continu blijven repeteren en herhalen – alleen zo word je beter. Dus je moet gewoon heel veel werken, heel veel passie hebben voor dit vak en heel veel geduld om uiteindelijk heel goed te worden.”
Welke menselijke lessen van Jonnie draag je nu elke dag uit?
“Of het nu de chef, een stagiair, de afwasser of een schoonmaker is, ik behandel iedereen met respect. Net zoals Jonnie deed. Behandel de ander zoals jij door hem of haar behandeld wil worden.”
Waar zie je De Librije over vijf jaar?
“Ik wil graag dat De Librije als restaurant en Nederland als gastronomisch land nog beter bekend zijn in de wereld. Nederland mag gezien worden als het culinaire walhalla, want we hebben hier zoveel moois te bieden. Pure smaken, innovatieve technieken en absolute gastvrijheid zoals het in de gastronomie bedoeld is. We zijn er bijna, over vijf jaar hoop ik er echt te zijn!”

