MATTHIJS BOSMAN: A MOMENT OF GREAT CHANGE IS MY STAGE

Matthijs Bosman (Eindhoven, 1976) is een kunstenaar met de samenleving als canvas. Vaak wordt hij ingeschakeld wanneer twee partijen tegenover elkaar staan. Aan hem de taak om op creatieve wijze een brug tussen beide te smeden. “Ik ben de schakel die op een toegewijde en integere manier passie probeert bloot te leggen in ieders overtuiging.”

Text: Bart-Jan Brouwer | Online Editor: Natasha Hendriks
Images: John van Helvert

Jij ging eerst naar de toneelschool, daarna naar de kunstacademie en later plakte je er nog een jaar aan vast op de Academie voor Architectuur en Stedenbouw. Wat zegt dat over de verschuiving van jouw interesse?

“Qua medium is mijn interesse verschoven, maar ik ben wel altijd blijven creëren. Op de toneelschool in Maastricht switchte ik al snel van toneelspel naar regie. Ik snap eigenlijk niet waarom ik daar ooit voor de acteursopleiding ben aangenomen. Acteurs vond ik maar een bijzonder volkje waar ik helemaal niet goed mee kon werken. Ik werd niet blij op het podium, eerder nerveus. Totdat ik met regie kennismaakte. Dát vond ik wel interessant, want dat gaat over de studie naar de betekenis van wat je aan het maken bent. De dramaturgie, de interpretatie, de taal vinden om anderen tot een bepaalde prestatie te brengen. Helaas raakte ik in die Maastrichtse tijd de regie over het leven kwijt door gebeurtenissen aan het thuisfront: mijn ouders hadden kort na elkaar geprobeerd zelfmoord te plegen. Dat zette mijn wereld op zijn kop.”

Wat deed die dubbele zelfmoordpoging van je ouders met jou?

“Mijn ouders waren net gescheiden en toevalligerwijs op ongeveer hetzelfde moment het leven beu, zonder dat ze dat van elkaar wisten. Er schuilt ook een zekere romantiek in dat ze afzonderlijk en tegelijk er een einde aan wilden maken. Die episode, dat extreme dieptepunt bij allebei, is een beetje weggemoffeld; we hebben het er nadien nooit diepgaand over gehad. Mijn moeder deed het af met een simpele uitleg: het leven deed teveel zeer en dat moest ophouden. Toen de situatie thuis wat gekalmeerd was, ging ik niet terug naar Maastricht: ik voelde de drang om de wereld in te trekken. Tijdens het reizen begon ik steeds meer te verlangen naar het maken van dingen. Eenmaal terug, verhuisde ik naar Antwerpen, waar ik een atelier begon en ben gaan schilderen. Dat ging best goed. Maar liever nog dan schilderijen wilde ik beelden maken. Daar wilde ik meer over leren: ik ging naar de kunstacademie in Den Bosch. Ik kwam daar binnen en ervoer een instant verliefdheid op die opleiding. Daar kon ik al die dingen doen waar ik door de jaren heen zo van was gaan dromen. Ik kon letterlijk op één dag van een smidsvuur naar een filmset en van een zeefdrukatelier naar een DTP-cursus lopen. Daar werd ik zo gelukkig van dat ik wenste dat het nooit zou aflopen. Een gouden tijd! Met tranen in de ogen heb ik na het eindexamen de deur daar achter me dichtgetrokken. Ik ben meteen een atelier in Den Bosch begonnen en ging aan de slag alsof de academie gewoon doorging. Dat leidde tot tentoonstellingen, er kwam interesse. Dat was een aantal jaren heel leuk, maar ook pittig omdat je ronddobbert in een soort kansenpoel. Ik heb het geluk gehad dat ik door een aantal mensen opgepikt ben, die gingen over mij schrijven. Onder hen Ann Demeester, de huidige directrice van het Frans Hals Museum. Zij bood mij een grote solotentoonstelling aan in Amsterdam. Dat zijn cruciale momenten.”

Jij behoort tot de generatie kunstenaars die social design – toen had het nog geen naam – in de praktijk zijn gaan brengen. Een voorbeeld is de Praktijk van het Ideaal. Vertel.

“Bijna altijd begint het met een probleem: ‘projectontwikkelaar wil iets, omwonenden niet’ of ‘bedrijf wil een strategie toepassen, werknemers zijn tegen’. Mijn podium is een moment van verandering. En mijn doel is het vooral om met een bevlogenheid naar het probleem te kijken en de ene keer begrip te kweken aan beide kanten, de andere keer juist iets te veroorzaken wat erger lijkt dan wat er oorspronkelijk staat te gebeuren, zodat mensen denken ‘het valt nog wel mee’. Neem de Praktijk van het Ideaal: een corporatie wil op een bijzondere plek nieuwbouw plegen, de omwonenden hebben bij voorbaat hun buik er vol van omdat alles rondom die plek altijd al verkeerd is gegaan. Ik word ingehuurd om iets aan die situatie te doen. Ik hoor bij niemand, ik ben de bevlogen buitenstaander die de romantiek van de nieuwe plannen uitdraagt en werk aan de verhalende kracht.”

“Wat ik mooi aan deze tijd vind is dat ‘nee, dat gaat niet’ echt overleden is aan covid-19. ‘Het zal mijn tijd wel duren’ is gesneuveld in de pandemie. Corona heeft aangetoond dat alles kan”

Jij werkt niet met getallen, maar met emoties. Is dat niet lastig?

“Nee, want als ik emoties zie, dan denk ik: ha, nu komen we ergens. Voor het project Het Café Dat Niet Meer Bestond kreeg ik van de gemeente Heerlen carte blanche om een groot kunstwerk te maken in een wijk: 5.000 vierkante meter moest erdoor beïnvloed worden. De enige voorwaarde die de gemeente stelde: als de buurt het niet omarmt, dan gaat het niet gebeuren. Waarbij ze waarschuwden dat het ‘geen eenvoudige wijk’ was. Ik organiseerde een avondje in een lokaal zaaltje – laten we maar eens kennismaken. Verkeerd begonnen. Want ik had al een idee toen ik kwam. Ik dacht: ik moet alleen even hun taal leren en dan in hun woorden uitleggen wat ik wil gaan doen. Ik ging erheen met een idee en een handvol trucjes om dat idee ook gerealiseerd te krijgen. Eén zo’n truc: mensen nooit objecten laten noemen maar werkwoorden. Dus ze mogen niet zeggen ‘we willen een glijbaan’, maar wel ‘we willen spelen’. Want dan heb je zelf de vrijheid om een heel ander speelobject te bedenken. Het ging helemaal mis. Rotavond. Slecht begin. We stonden tegenover elkaar, ik was al net als de rest. Thuis vroeg ik aan mijn vrouw, die journalist is: hoe krijg ik voor elkaar dat die mensen iets van mij aannemen? Zei antwoordde: ‘Je zou iets over hen moeten leren. Heb je er weleens aan gedacht om werkelijk iets aan ze te vragen?’ Ik ben teruggegaan naar die wijk en zei: ‘We gaan het anders doen. Ik wil dat jullie mijn gids worden in de wijk.’ Even later liep ik achter dertig gidsen aan – allemaal met een paraplu in de lucht, ik maakte er iets lolligs van – de wijk door. Het ijs smolt, we raakten in gesprek met elkaar. Het bleek dat zij één harde eis hadden: ze wilden bloembakken in de wijk. Maar ik had helemaal geen zin om bloembakken te maken. Na doorvragen bleek dat ze vonden dat er te hard werd gereden in hun wijk en dat ze hadden bedacht dat die bloembakken leuke obstakels zouden zijn om te zorgen dat er minder snel gereden werd. Van mijn aanspreekpunt bij de gemeente hoorde ik dat toevallig net een besluit was genomen om allemaal verkeersdrempels aan te brengen en er een 30 km-zone van te maken. Ik mocht het nieuws brengen. Monden vielen open, waarop ik vroeg: ‘Kunnen we dan nu ophouden over die bloembakken?’ Waarop zij: ‘We houden ook helemaal niet van bloembakken!’ Hahaha.”

Wat heb je uiteindelijk gemaakt?

“In die wijk was vroeger een café, waar hun vaders aan het einde van de week het loon dat ze in de mijnen verdiend hadden, stuksloegen. Daar hadden ze warme herinneringen aan, maar tegelijk wilden ze geen café meer vanwege de overlast die zoiets geeft. Toen heb ik het ‘Café dat niet meer bestond’ bedacht: een stalen geraamte als basis, die je kunt behangen met zeilen met daarop levensgroot zwart-witfoto’s van het café in vroeger tijden, uit het verleden dat ze zo koesterden. Die zeilen rits je zo aan de constructie vast en dan is het net alsof je in het café van vroeger zit. Het kunstwerk kan dan echt gebruikt worden als plek voor een evenement. De mensen die in het begin zo kritisch waren, stonden bij de opening geëmotioneerd een replica op te bouwen van het café waar hun eigen vader vroeger een pint dronk als het weekend begon. De emotie die een plek na de juiste ingreep plotseling kan oproepen… Dat raakt mij zelf natuurlijk ook heel sterk.”

Jouw kunst zit ’m meer in het bouwen van nieuwe denkbeelden.

“Mensen zouden meer hulp moeten krijgen bij het vinden van hun bezieling. De echte intrinsieke overtuiging om te doen wat wij aan het doen zijn in plaats van life is what happens while you’re making other plans. Ik denk dat we soms wel heel kwistig zijn met onze tijd. Onwetendheid is zalig, maar tegelijkertijd denk ik: als je dan toch geen flikker uitvoert, doe het dan met overtuiging. Daar gaan veel van mijn projecten over: de werkelijke intrinsieke waarde van iets benoemen. Ook van niets doen. Of van alles doen en er niet in slagen. Het kan zo helpen om te zeggen ‘dit hebben wij met elkaar gedaan, dit vonden wij belangrijk’. In de kern betekent niks iets, tot wij er samen de juiste woorden voor hebben gevonden. En dat helpt bij het oplossen van impasses of conflicten. Net zolang zoeken totdat mensen, of twee partijen die tegenover elkaar staan, een passie delen. Ik ben de schakel die op een toegewijde en integere manier passie probeert bloot te leggen in ieders overtuiging.”

Toch maak jij ook tastbare beelden, zoals Choreografie van Pure Armoede, waarin je het gezwoeg van werklozen in de crisisjaren in Zwolle hebt afgebeeld.

“Mij werd gevraagd om honderd jaar na de verplichte tewerkstelling in Nederland een monumentaal beeld te maken dat de passant iets zou laten beleven van toen, van het feit dat tienduizenden mensen heel zwaar anoniem werk hebben gedaan in een tijd dat er nog geen goed sociaal systeem was. Er was liefdadigheid via de kerk, maar geen sociaal vangnet. Mensen wilden in de crisisjaren niet alleen een beroep doen op liefdadigheid, ze wilden werk. Dat hebben ze geweten. Een gezin kon, omgerekend naar nu, zo’n 250 euro per maand krijgen mits de vader 60 à 70 uur fysieke arbeid per week deed. Om te zorgen dat hij niet werd afgeleid, werd hij naar de andere kant van de provincie gebracht om daar zes dagen per week te werken. Op blote voeten en met een schep of kruiwagen en konden ze bijvoorbeeld een kuil van twee hectare graven voor het aanleggen van een vliegbasis of een kanaal. Zo ook in Zwolle. Die menselijke hoek zie je terug in al mijn projecten. Dat verhaal van die arbeider, die van alles ontdaan keihard moest vechten om zijn gezin te kunnen onderhouden: die opoffering tegenover de totale anonimiteit van het werk vond ik iets fantastisch. Het enige wat ze nog hadden waren de voetstappen en het spoor van hun kruiwagen die ze in de aarde achterlieten. Op dezelfde grond waar het zware werk aan het begin van de twintigste eeuw werd verricht, heb ik een veertig meter lange walzijde van donkerbruin beton gemaakt. Daar ben ik zelf op blote voeten met een kruiwagen overheen gaan lopen. Als ware het een archeologische vindplaats zijn daar nu voetstappen en wielsporen zichtbaar. Mijn voetstappen, in arbeidersschoenen van verschillende maten, en ook de voetstappen van mijn kinderen.”

“Mensen zouden meer hulp moeten krijgen bij het vinden van hun bezieling. De echte intrinsieke overtuiging om te doen wat wij aan het doen zijn in plaats van life is what happens while you’re making other plans. Ik denk dat we soms wel heel kwistig zijn met onze tijd”

Een beetje verhalenverteller bedenkt eerst het eind. Jouw eind is zichtbaar bij de Verbeke Foundation, in de vorm van jouw graf. Hoe kwam je op het idee van In Liefdevolle Voorgedachtenis en hoe was het om jouw graf vorm te geven?

“Het was heel emotioneel om mijn eigen grafmonument te ontwerpen en te bouwen. Van dat project ben ik heel verdrietig geweest, maar ik ben er ook rustig van geworden. Want ik ben bevriend geraakt met het idee dat ik ooit doodga. En ik vind dat ik een eervolle plaats heb weten te bemachtigen, nu al: in een museum onder de rook van Antwerpen dat de kunstverzameling van verzamelaar Geert Verbeke beheert. Te midden van de moderne en hedendaagse kunst die daar wordt geëxposeerd, ligt mijn graf op mij te wachten: een betonnen plaquette met daarop een stalen kapelletje met glas – echt een Frans graf. En er staat een winterharde palm bij, om de exotische oorden te symboliseren waar ik zo verliefd op ben. Het grafschrift bestaat vooralsnog alleen uit mijn naam en geboortejaar, de rest moet nog worden ingevuld.”

Je hebt twee kinderen van acht en twaalf. Hoe kijken die naar het graf?

“Die hebben er bloemen bij gelegd toen het net werd tentoongesteld. Ik heb het ze uitgelegd, maar ze vonden het wel lastig.”

Jij ligt later dus later als een kunstwerk opgebaard in een museum?

“Ik heb een contract waarin staat dat ik op het openluchtterrein van het museum begraven word, en mijn vrouw ook. Zou het sowieso niet goed zijn om mensen te leggen op de plek waar zij bij horen, bijvoorbeeld het graf van een groot schrijver bij een bibliotheek? Wat ik leuk vind: mijn werk maakt van elke bezoeker even een rouwende passant, zoals ik zelf ook identiteiten aanneem en afschud. Jong en oud loopt met de handen op de rug door een veld met allemaal beelden en installaties, waaronder de kortste snelweg ter wereld en van Atelier van Lieshout een gigantische replica van het menselijke spijsverteringssysteem, en dan staan ze plotseling voor een graf. Mijn kunst en mijn leven, en dus ook de dood, zijn zodanig met elkaar versmolten dat de grens ertussen vervaagt. Misschien is een mooie toevoeging aan het grafschrift: ‘Hier rust het stoffelijk overschot van mijn werk.’”

Masters #44

MASTERS #44



Subscribe to MASTERS NEWS Newsletter for the latest updates.
(Your details will never be shared with a 3rd party.)

 
ENROLL

close-link