In de loop der jaren is Amsterdam uitgegroeid tot een van ’s werelds succesvolste haven- en handelssteden. Sommige bedrijven bestaan al lang en zijn nog altijd actief én succesvol. Amsterdamkenner Bas Kok schetst een tijdlijn van deze pijlers van de hoofdstedelijke economie.
1. Proeflokaal De Drie Fleschjes (1619)
Achter de Nieuwe Kerk, waar de echo van gezangen nog door de stegen zwerft, ligt een tijdcapsule van de Gouden Eeuw: De Drie Fleschjes. De ‘oudst gedocumenteerde kroeg van Amsterdam’, oorspronkelijk een slijterij, is een altaar voor de geneugten des levens, waar de klanken van een authentiek drankorgel een symfonie vormt voor wie luisteren wil. Het drankorgel, één van de drie in Amsterdam, bestaat uit vijftig vaten gedestilleerd, het ene voller dan het andere, waardoor ze allemaal een ander geluid maken wanneer je erop klopt (vandaar ‘orgel’). “Voordat je vroeger iets wilde kopen uit een vat, mocht je proeven. Vandaar dat wij historisch gezien een proeflokaal zijn en niet zomaar een kroeg”, aldus uitbater Johannes Bulthuis. Dat authentieke wil hij behouden – 60 procent van de clientèle is vaste klant. Met elk kopstootje – specialiteit van de zaak: een fluitje pils met een tulpglaasje eigen jenever, destijds nog gemaakt met Distilleerderij Bootz (anno 1880), dat in 1955 werd overgenomen door Lucas Bols – reis je hier verder terug in de tijd. Sta je plots naast een koopman die net van de Oost terugkeert, met specerijen in zijn kielzog en stormen in zijn ogen. De vitrine, gevuld met burgemeestersflesjes, herbergt fluisterende geesten: een toast met het verleden is hier nooit ver weg.

2. Karpershoek (1606 of 1641)
Een deur die knarst als een oude zeeman, een vloer waar de echo van laarzen en klompen zich vermengt met verhalen die generaties overstijgen. Karpershoek, aan Martelaarsgracht 2, is meer dan een café: het is een haven voor verdwaalde zielen en verhalen die wachten om verteld te worden. De muren dragen eeuwen aan geheimen, ingebrand in houtsnijwerk en vergulde spreuken. Geen luide muziek die hier de nacht verscheurt, alleen stemmen, gelardeerd met de smaak van een goed getapte pils en de melancholie van een verleden dat nooit helemaal verdwijnt. Wie goed luistert, hoort misschien zacht geklots: een echo uit de tijd toen schippers hier hun laatste glas hieven voor de zee hen opslokte.

3. Café Chris (1624)
De Westertoren rees op, steen voor steen, en daarmee de dorst van de bouwvakkers. In Café Chris aan Bloemstraat 42 werd hun loon niet zelden in vloeibare vorm uitgekeerd. Als souvenir prijkt een van de glazen parels van de keizerskroon die de toren bekroont onder een stolp. “Na de restauratie van vorig jaar hebben we er één weten te bemachtigen”, aldus de uitbater. Het café ademt geschiedenis: glas-in-loodreclame van Bols, een vergeeld portret van Willy Alberti, pullen aan het plafond en een biljart dat al generaties lang het geluid van kaatsende ballen voortbrengt. Maar de grootste attractie is de spoelbak met doortrekker van de heren-wc midden in het café – een testament van een tijd waarin dorst belangrijker was dan decorum. Mag ik er even bij? Ik wil doortrekken. Specialiteit van het huis: citroenjenever van Distilleerderij en Proeflokaal ’t Nieuwe Diep.

4. De Druif (1863)
Volgens de overlevering zou deze sympathieke buurtkroeg aan Rapenburgerplein 83 al in 1585 als ‘aanmonstercafé’ zeelui trekken. Andere bronnen menen dat De Druif in werkelijkheid pas in 1863 als drankhuis begon. Wie zal het zeggen? De Druif laat zich niet vangen in cijfers, maar in de geur van jenever en de nasmaak van een goed verteld verhaal. Hier hangt de tijd stil tussen kopstootjes, ossenworst met Amsterdams zuur en een schaal met hardgekookte eitjes op de bar, waar matrozen ooit hun handtekening zetten om naar onbekende oorden te varen. Ze vertrokken met hoop, keerden terug met heimwee – of niet. De bar bleef.

5. ’t Papeneiland (1642)
In dit bruine café aan Prinsengracht 2 hangen de herinneringen als koperen beddenpannen aan de muur, in een interieur dat met zijn slingeruurwerk, pentekeningen van de grachten en twee porseleinen bierpompen historie ademt. Diep weggestopt in de kelders, bevindt zich de ingang van een (inmiddels dichtgemetselde) tunnel naar een katholieke schuilkerk aan Prinsengracht 7. De naam van het café verwijst naar de tijd dat katholieken in het geheim hun geloof uitoefenden. Maar buiten dat? Een café waar tafels zijn geschrobd, tegels Delfts blauw fonkelen, de antieke kachel al eeuwen trouw snort en als specialiteit oude jenevers worden geschonken van A. van Wees distilleerderij De Ooievaar, de enig overgebleven, ambachtelijke distilleerderij in Amsterdam. Een café dat pardoes wereldnieuws werd toen Bill Clinton bij zijn bezoek aan de stad de zelfgebakken appeltaart kwam proeven.

6.Café Hoppe (1670)
Aan het Spui, waar de stad leeft, schrijft en debatteert, stond ooit een jeneverstokerij die een metamorfose onderging. Wat begon als een plek voor stille genieters werd de thuisbasis van journalisten, politici en denkers. Hier legde Hans van Mierlo het fundament voor D66, verkocht Prinses Beatrix – als ludieke actie – samen met Majoor Bosshardt De Strijdkreet, terwijl couturier Max Heijmans in zijn ‘tweede huiskamer’ inspiratie vond. Er wordt nog steeds staand gedronken aan de houten toog – want wie zit, mist de dynamiek van een kroeg waar elk glas een gedachte draagt.

7.De Dokter (1798)
Dit café aan Rozenboomsteeg 4 wordt ook wel ‘het Doktertje’ genoemd, omdat het met 18 vierkante meter het kleinste café van Amsterdam is. Een universum in zakformaat, gevuld met eeuwigheid. Waar om de hoek in de Kalverstraat de tijd voortsnelt, is die hier blijven stilstaan: met zijn antieke snuisterijen en olielampen, bedekt met een laag stof, ademt het nog steeds de sfeer van de 18e eeuw. Het café ontstond in de tijd dat het Binnengasthuis nog een ziekenhuis was. Een arts begon er een ontmoetingsplaats voor dokters en geneeskundestudenten en zo groeide het uit tot café De Dokter. Vandaar de oude doktersattributen aan het plafond, bonnetjes die eruitzien als verwijsbriefje en achter de bar een apothekerswand. Volgens Maria Elout, de zevende generatie (!) die sinds 1798 de kroeg bestiert, samen met haar man Henny Beems, zijn ook de Berlijns zilveren bar en tap authentiek. Jazz vormt hier de hartslag, met meer dan duizend elpees. Chet Baker wist het, en met hem iedereen die de deur opent en even een andere wereld binnenstapt. De aan heroïne verslaafde trompettist was niet altijd de makkelijkste klant. “Mijn schoonvader heeft hem een paar keer de kroeg uitgezet”, weet Henny. Zelfs de huisjenever met de naam ‘Dokters Recept’, de specialiteit van het Doktertje, die zo’n beetje alles geneest, kon Chet Baker niet helpen.
