Rond de eeuwwisseling wisten vier miljard mensen wie hij was, dankzij social media zijn dat er inmiddels 6 miljard. Omdat Rembrandt in Leiden is geboren, geldt Johan Cruijff daarom als de bekendste Amsterdammer uit de historie. Jaap de Groot maakte de in 2016 overleden Nummer 14 bijna veertig jaar van nabij mee en bezocht met Cruijff regelmatig de voor hem meest dierbare plekken in de hoofdstad. Met als resultaat een postuum interview met Johan Cruijff over zijn Amsterdam.
AMSTERDAM: “Het is de stad waar mijn vrouw Danny en ik geboren zijn. Net als mijn drie kinderen. Chantal in de Boerhaave Kliniek en Susila en Jordi in het Prinsengrachtziekenhuis. Dus een compleet Amsterdam gezin.”
ANKERSTRAAT 32: “Op dit adres ben ik geboren en opgegroeid. Mijn ouders hadden hier een groente- en fruitwinkel. Ik ben een mix van mijn ouders, die uit de Jordaan komen. De bijdehandheid heb ik van mijn vader Manus, de sociale kant van mijn moeder Nel. Voor haar stond alles in het teken van het gezin. Ik heb een heerlijke en liefdevolle jeugd gehad. Betondorp in Amsterdam-Oost bood werkelijk alle mogelijkheden die een kind zich kon wensen. Pleintjes, plantsoenen, een speeltuin, alles was er.”
ZAAIERSWEG 15: “Daar zat ik op de Groen van Prinstererschool. Een christelijke school, terwijl ik niet gelovig werd opgevoed en er in de buurt ook katholieke en openbare scholen waren. Op mijn vraag waarom ik naar de School met den Bijbel moest, zei mijn vader: ‘Ze vertellen daar mooie verhalen. Zo probeer ik je zo veel mogelijk mee te geven en later mag je zelf beslissen wat je ermee doet.’ Ik stond op school bekend als ‘de jongen met de bal’. Die nam ik ook mee de klas in. Wat ik me van mijn schooltijd vooral herinner, is dat ik nooit gespijbeld heb. Hoewel ik niet gek op leren was, had ik wel het besef dat ik het moest doen. De Groen van Prinsterenschool is in 2013 gesloten.”
MIDDENWEG: “Op een paar honderd meter van onze winkel stond daar De Meer, het stadion van Ajax. De club die een belangrijke rol in mijn vaders leven speelde. Hij sloeg geen wedstrijd over. De eerste keer dat ik bij Ajax kwam, weet ik nog als de dag van gisteren. Ik was een jaar of vijf. Mijn vader vroeg of ik mee wilde om fruitmanden af te leveren voor clubmensen die ziek of geblesseerd waren. Die dag leerde ik Henk Angel kennen, een vriend van mijn vader en terreinknecht bij de club. Hij vroeg me of ik hem een keer wilde komen helpen en sindsdien was De Meer mijn tweede huis. Ik was er altijd. Mijn talent mag ik dan niet van mijn vader geërfd hebben, wel zijn onvoorwaardelijke liefde voor de club.”
OOSTERBEGRAAFPLAATS: “Mijn vader overleed toen hij 45 en ik 12 was. Op de dag dat ik op de lagere school mijn diploma kreeg. Tijdens het afscheidsfeest kreeg ik te horen dat hij dood was. Een hartaanval. Zijn cholesterol was te hoog. Zijn dood heeft me nooit losgelaten. Naarmate ik ouder werd, kreeg ik steeds meer het gevoel dat zijn lot ooit het mijne zou worden. Daarom was ik niet echt verrast toen ik op bijna dezelfde leeftijd als mijn vader hartproblemen kreeg. Alleen was er één groot verschil: dertig jaar later was de medische wetenschap wel in staat het probleem op te lossen. Mijn vader is, net als mijn moeder, begraven op de Oosterbegraafplaats. Schuin tegenover het oude Ajax-stadion aan de Middenweg. Nog altijd als ik langs de begraafplaats kom, maak ik een praatje met hem. Bij iedere moeilijke beslissing vraag ik hem om raad. Dan sta ik de volgende ochtend op en weet wat ik moet doen. Vraag me niet hoe het in elkaar steekt, maar iedere keer is het er. Na de dood van mijn vader moest mijn moeder bijverdienen. Ajax ontfermde zich toen over ons gezin, betaalde haar voor het schoonmaken van de kleedkamers en zorgde ervoor dat ze aan de slag kon als werkster. Zo bleef ook ik nauw verbonden met de club. Helemaal toen mijn moeder trouwde met ome Henk Angel, de terreinknecht die ik echt als mijn tweede vader heb ervaren. Zelf probeerde ik in die tijd als bakkersknecht wat bij te verdienen. Door koekjes en brood bij mensen af te leveren. Daar kreeg ik een rijksdaalder voor.”
KALVERSTRAAT: “Hier heb ik Danny in 1968 ten huwelijk gevraagd. Door haar de juwelierszaak van Siebel binnen te lokken en twee trouwringen te kopen. Misschien niet heel romantisch, maar Danny ging wel akkoord. We zijn in december 1968 getrouwd.”
NASSAUKADE: “Daar woonden mijn schoonouders. Dankzij Danny’s vader Cor Coster heb ik mijn carrière goed kunnen verzilveren. Toen hij in mijn leven kwam, had nog geen voetballer van marketing gehoord en omgaan met commercie was iets totaal nieuws. Cor is niet alleen voor mij heel belangrijk geweest, ook voor het totale topvoetbal in Nederland. Hij heeft zelfs geholpen de VVCS, de vakbond voor voetballers, op te richten. Mijn schoonvader heeft me op financieel gebied geholpen en opgevoed. Hoe belangrijk dat was, is wel gebleken. Want toen ik even dacht dat ik het wel alleen kon, ging het ook meteen fout. Dat geeft niks. Het hoort bij het leven. Het gaat er uiteindelijk om of je ervan geleerd hebt.”
OLYMPISCH STADION: “Net als De Meer loopt het Olympisch Stadion als een rode draad door mijn leven. Zoals de eerste keer dat ik van het veld werd gestuurd tijdens mijn tweede interland tegen Tsjechoslowakije. Ik werd continu geschopt, maar de scheidsrechter deed er niets tegen. Toen hij na een rotschop weer niet floot, terwijl hij er met z’n neus bovenop stond, zei ik daar wat van en kon vertrekken. Het werd een enorme rel, want nog nooit was een Nederlandse international van het veld gestuurd. Terwijl ik volledig in mijn recht stond. Alleen leefde dat in 1966 totaal niet. De scheidsrechter was de baas en aan zijn autoriteit werd niet getornd. Een maand later volgde op hetzelfde veld de met 5-1 gewonnen mistwedstrijd tegen Liverpool. Ben ik normaal gesproken slecht in het onthouden van gebeurtenissen, van de legendarische mistwedstrijd en de return op Anfield Road weet ik zo’n beetje alles nog. Vooral omdat we in die wedstrijden de bevestiging kregen dat we technisch superieur waren. Puur op techniek werden de Engelsen weggespeeld. Vaak genoot ik in het Olympisch Stadion van het Olympisch Stadion. Het is daarom geen toeval dat zowel de Johan Cruyff Foundation als Johan Cruyff Institute er gevestigd zijn. Zo zijn we op een unieke sportplek bezig met mensen die het minder hebben getroffen en de ambitieuze, nieuwe generatie. Ieder jaar organiseren we er ook de Open Dag van mijn foundation, terwijl ik vaak het jeugdtoernooi Copa Amsterdam bezoek. Daar kom ik de ene bekende na de andere tegen. Aron Winter, de Witschges, Pietje Keizer, Bennie Muller, Sjaak Swart, Wim Jonk, noem ze maar op. Ik vind het mooi om te zien hoeveel aantrekkingskracht jeugdvoetbal nog altijd op al deze liefhebbers heeft. Ik wil er vooral mee zeggen dat op deze manier het Olympisch Stadion in een enorme behoefte voorziet. Laten we hopen dat dit zo blijft.”
DAM: “Ik associeer dit niet alleen met onze vrijheid, maar ook met straatvoetbal. Het is de plek waar jarenlang de finales van de Amsterdams Schoolstraatvoetbaltoernooi zijn gehouden. Ik ging regelmatig kijken met burgermeester Eberhard van der Laan, die ook altijd enorm betrokken was bij de Cruyff Foundation. Ik kan niet vaak genoeg herhalen dat ik als kind het meeste op straat heb geleerd. Het nadenken ook over hoe een nadeel toch voordelen kan opleveren. Dat je inziet dat tijdens een partijtje een stoeprand eigenlijk geen obstakel is, maar dat je er ook een een-tweetje mee kunt maken. Mede dankzij de stoep heb ik aan mijn techniek kunnen werken. En zo kan ik nog talloze voorbeelden noemen.”
ARENA: “Hoewel de ArenA er nog niet was tijdens mijn actieve carrière als voetballer en coach, bewaar ik er toch mooie herinneringen aan. In 1997 was ik betrokken bij de EURO 6íxes, een 6 tegen 6-toernooi met Ajax, AC Milan, Glasgow Rangers en Liverpool. Dit format vormde later de basis voor de Cruyff Court. Later heb ik mijn benefietwedstrijd ‘30 Jaar Finales met Ajax’ georganiseerd en was er op 21 december 1999 het absolute hoogtepunt: De Wedstrijd van de Eeuw, waarin de 50 grootste internationals van de eeuw nog één keer werden geëerd. Van Dennis Bergkamp tot Faas Wilkes en van Jan van Beveren tot Edwin van der Sar, iedereen was er. Met de recette hebben we het jongerencentrum Oranjehorst in de Bijlmer gebouwd en de beeldentuin van het Oranje van de Eeuw bij het KNVB Sportcentrum in Zeist laten plaatsen. Een onvergetelijk moment, waarop het voetbal zich van z’n beste kant liet zien.”
CONCERTGEBOUW: “De mooiste concertzaal van Nederland. De plek ook waar op 3 juni 2003 tijdens het Winterbal het eerste Cruyff Court aan Lelystad werd geschonken. Het was een uniek evenement ter ere van het afscheid van Aron Winter, waarbij voor het eerst in een theater werd gevoetbald. Als bewijs dat je eigenlijk overal tegen een bal kan schoppen. Op straat kan iedereen dat doen, in een theater alleen als je heel goed bent. Dat hebben topspelers als Ronaldo, Marco van Basten, Nicola Berti, Paul Ince, Guiseppe Signori, Frank Rijkaard die dag laten zien, ondersteund door het gezang van de Nederlandse Opera. Van het kunstgrasveld dat we toen hebben gebruikt, is het eerste Cruyff Court aangelegd. Vernoemd naar Aron Winter, die in Lelystad is opgegroeid. Het Winterbal is de hele wereld overgegaan, tot CNN aan toe. Het was weer zo’n idee als gevolg van allerlei ervaringen die we eerder hadden opgedaan. Wat in 2003 in een van de mooiste concertzalen van Nederland is begonnen, heeft geresulteerd in honderden miniveldjes die over de hele wereld verspreid zijn. Ook in Amsterdam. Met een voor mij heel speciale in Betondorp, precies waar vroeger speeltuin Onderlangs was. Ontelbare uren heb ik daar doorgebracht, nu is het de plek voor de nieuwe generatie kinderen om te spelen en te sporten. De grasveldjes en pleintjes zijn steeds meer uit de woonwijken verdwenen, maar door de aanleg van een court zie je dat het voetballen in de buurt weer gaat leven. Dat geeft me veel voldoening. Ook omdat je ziet hoe je op een simpele manier toch iets heel goeds in beweging kan zetten.”
WALDECK PIERMONTSTRAAT: “Daar woon ik als ik in Nederland ben. Met een paar stappen ben ik in het Vondelpark, om te wandelen en af en toe te rollerskaten. Om de hoek is het restaurant van Ron Blaauw, die speciaal voor mij flessen Mugo heeft ingeslagen. Mijn lievelingswijn. Een rioja uit Haro, een plaatsje tussen Burgos en Bilbao. Ik ben een liefhebber van rode wijn. Het hoort erbij.”
AJAX: “Toen ik op twaalfjarige leeftijd mijn vader verloor, is mijn opvoeding door Ajax bepaald. Eerst door mijn tweede vader, later door mijn trainers Jany van der Veen en Rinus Michels. Dankzij Ajax leerde ik niet alleen hoe ik beter kon voetballen, maar ook hoe ik me moest gedragen. Mijn ouders, schoonouders, vrouw, kinderen en kleinkinderen zijn voor mij heel dierbaar, maar ook al die mensen bij Ajax die mij bij de hand hebben genomen toen ik even heel kwetsbaar was. Daarom is ook Ajax voor mij familie. Ik kom nog zo’n vijf keer per jaar op De Toekomst. Meestal om naar een wedstrijd te kijken of een training mee te pikken. Daarvoor of daarna ga ik even kletsen aan de stamtafel achter in de kantine. Vroeger hadden we het altijd over naar ‘achter’ gaan, als we Voorland bedoelden. Dat ‘achter’ is nu verplaatst naar de Toekomst en ik moet eerlijk bekennen, dat ik weinig verschil merk. Aan de stamtafel staat net als vroeger in De Meer altijd het voetbal centraal. Met soms heftige discussies over hoe de situatie bij Ajax kan worden verbeterd. Toch zijn er mensen die beweren dat ik bezig ben Ajax kapot te maken. Die begrijpen het dus niet. Het gaat er niet om de club kapot te maken, het gaat er om te voorkomen dat de club kapotgaat. In alle geledingen van de club ontbrak het voetbal. Je zat met de kromme situatie dat de commissarissen en het bestuur geen topvoetbalachtergrond hadden, maar toch moesten beslissen wie er geschikt was om trainer of directeur te worden. Voor alle duidelijkheid: het gaat me er niet om alleen voetballers in de clubleiding te krijgen, maar dat de verhoudingen binnen Ajax anders komen te liggen. In 1999 heeft Ajax me tot erelid benoemd en dan kan je voor twee dingen kiezen: je kan erelid zijn door alleen het speldje te dragen, maar je kunt ook als erelid proberen om een bepaalde waarde voor de club te zijn. Alleen als je merkt dat anderen anders over die waarde denken, dan moet je je uiteindelijk weer gedragen alsof je alleen dat speldje draagt. Maar zoiets glijdt meteen langs me heen als ik de kantine binnenloop. Als ik ernaar toe ga, dan weet ik bij voorbaat al dat het gezellig wordt. En dat is me nog steeds veel waard. Ooit zal er wel weer een moment komen dat de club inziet dat het toch anders moet. Als ze daar uitkomen, dan zijn er genoeg mensen die zullen zorgen dat de dingen voor elkaar komen zoals de echte leden en supporters dat willen. Daar hoor ik ook bij. Omdat ik er altijd voor Ajax zal zijn. Moet er iets worden opgelost, dan ben ik altijd bereid er te staan. Maar alleen als iedereen erachter staat. Dat kan over een jaar zijn, over tien jaar, wie zal het zeggen? In ieder geval het moment dat de juiste mensen het voor het zeggen krijgen. Mensen bij wie de club in hun hart zit en die weten waar Ajax voor staat.”
AMSTERDAM: “Ondanks al die jaren in Barcelona, blijft de hang naar Nederland. En vooral Amsterdam. Mijn stad. Waar ik geboren ben, waar ik getrouwd ben, waar mijn kinderen zijn geboren, waar ik gevoetbald heb en waar mijn foundation en universiteit gevestigd zijn. Ik ben en blijf trots op mijn stad en mijn land, met alle voor- en nadelen, maar bulkend van de kwaliteit. Zelfs New York heette eerst Nieuw Amsterdam, voordat we het verkocht hebben. We zijn een uniek volk en dat zal ik mijn kinderen en kleinkinderen altijd voor blijven houden.”

